Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
INTERVIEW WITH A DINOSAUR
datum 03.06.2008
rubriek Podium
Hoewel volgende beschouwing strikt gezien een podiumvoorstelling onder de loep neemt, zal de literatuur ook niet geheel afwezig blijven. Dat gaat zo wanneer de voorstelling opgebouwd is rond een bloemlezing van de beste, of toch meest markante interviews die de dinosaurus Hugo Claus in zijn massieve carrière gegeven heeft.
Wanneer de lichten uitgaan, zien we een tijd niets, maar luisteren doen we des te meer. Naar het titelgedicht ‘Interview’ met name, op te vatten als een lang uitgestrekt motto voor deze performance. Voor de volledigheid geef ik de integrale tekst even mee, opdat u de rest van mijn betoog moeiteloos zal kunnen plaatsen.


Interview

Er klopt iets aan mijn deur
En ja hoor het is die jonge dichter,
- ik herken zijn tanden –
die ooit de glorie van mijn stafrijmen zong
en sindsdien
– oh familiarity! – geregeld
in de krant aan mijn enkels heeft geknabbeld.

Ik nood hem binnen.

Hij zegt dat hij van lezingen leeft
En af en toe een interview.
Zijn vrouw is meestal levensmoe.

Ik help hem uit zijn jas.
Ik schenk hem een borrel in.

Dat hij mij in de krant op de korrel heeft
Genomen, zegt hij, het is bitter, het is zuur,
Maar dat wou zijn Chef Cultuur.
Ons gesprek zou gaan, in grote trekken,
Niet te lang, over liefde zonder vlekken,
Over politiek zonder namen te noemen.

Ik schenk hem een tweede borrel.

‘Entre nous,’ zegt hij, ‘ik vind u vervreemd
van het nieuwe,
u herkent de tijdgeest niet en
u vereert te zeer de dode meesters.
Waar is bij u de roes van de techniek?
Want als de techniek onze god is en ons lot is
Moeten wij ons niet samen bezinnen
Over de wet van Internet?

Nog een jenever. Met een biertje.
‘En neem me niet kwalijk maar u bent
soms toch heel erg hermetisch.’

Hermetisch? Ikke? Op mijn oude dag,
Met mijn getemde lach,
Mijn tevergeefs gebalder?
Ik die het bestaande
Bevend zit te kopiëren
Niettegenstaande.


‘En uw rijmpatroon zo voor de hand, zo voor
een kinderhand.
Rijmen laten mij
sowieso koud.
Wat is overigens de onderliggende gedachte
Van uw filosofie
überhaupt?
Ik word van u niet wijzer.’

Ik denk aan een vroeger leven.
De ramskoppen bonkten tegen elkaar.
De konijnen hadden namen.
De kalkoenen kakelden om graan.
De parelhoenen in hun grootmoederschort
Schoot ik met een windbuks.
Ik denk aan verre streken.
De speciale maanrat die blijft leven
Omdat hij zo stinkt.
De lampogige lemuren.
De orang pendek die kinderen steelt
En dol is op mensenlever.
Ik denk aan dode meesters.
Byron die plukjes van zijn haar bewaarde
En nummerde. Zijn manuscripten.
Veel geschrapt. Veel
second thoughts
Maar de rijmen intact.
Ezra Pound gierend in de bioscoop
Om achterlijke komedies.
Zijn
Ezivursity.
Hoe hij jaren en jaren zweeg en toen zei:
‘Ik heb het allemaal verkeerd gedaan.’
Stevie Smith die dacht dat alle dingen
Konden zwemmen in een wonderlijke wijsheid.
‘Stapstenen,’ zeg ik.

‘Pardon?’ zegt hij.

‘Stapstenen waar het gedicht op kan gaan.
Dat hebben Gezelle en Minne
Ons voorgedaan.’
En ik help hem in zijn jas.

Ik leid hem naar de deur.

Buiten wijs ik hem met mijn vinger naar de
Maan.
Hij blijft kijken naar mijn vinger.



Ingesproken door de meester zelve beklijft die tekst, breed uitgesmeerd over de Bourla, door zijn traag, wiegend karakter, alsof de mond tegelijk jenever savoureert .

Hierna schommelt een dwerg het podium op richting stoel en tafel, die zich op een klein verhoogje bevinden. Politiek incorrect? Men had ook gewoon een klein mannetje kunnen casten voor de rol van interviewer die dom naar de vinger van de onnavolgbare schrijver blijft kijken, maar dat had simpelweg minder effect gesorteerd. Alles voor het theater, want dat zal het blijken.

Een reus komt op. Josse De Pauw. Hij monstert de dwerg, heel even, begint dan aan zijn verhaal. Over hoe iedereen hem (Claus dus) probeert te interviewen. Orakelt dan van de interviewer die zijn huiskamer binnentreedt en slechts twee dingen zegt, alsof hij de woorden als cognac bij het haardvuur laat verdampen: “Claus…. Libido” en “Claus….Dood”.
Daarin bestaat de kracht van de voorstelling grotendeels: het in zijn hemd zetten van, ja, van wat precies? De suggestie is dat Claus, de literator, die hij ook bleef tijdens interviews, eender wat had kunnen beweren, zolang het maar mooi klonk of het maar een lach kon ontlokken. Dat gaat enigszins buiten de lijntjes van het monochrome medium dat het interview is, met name buiten de grenzen die het zichzelf oplegt – de waarheid navorsen, en niets dan de waarheid. Maar Claus gaf daar een andere invulling aan, speelde onophoudelijk met de arme ziel die de vragen moest stellen, en zo doet De Pauw ook met het publiek.  De kwinkslagen, fantastisch verwoord natuurlijk, blijven nooit lang uit, volgen elkaar op in razendsnel tempo. Het publiek wil meer en krijgt het ook. Was Claus een crowdpleaser? De Pauw alleszins wel. Als zijn eigen interpretatie van het persona ‘Claus-de-interviewée’ ergens zichtbaar is, dan wel in het actéren. En dat verdient alle lof, want bijwijlen schurkt hij heel dicht bij zijn model aan, terwijl hij op andere momenten de schrijver iets meer loslaat. Een gelukte evenwichtsoefening.

Alle thema’s van leven en werk passeren de revue: de liefdes, het schrijven zelf, het masker van Claus, dood en vergankelijkheid. Vooral bij het laatste thema verruilt de voorstelling zijn terecht spelerige teneur voor een iets ingetogener betoog. Op dat moment kan je op de occasionele hoestbui na werkelijk een speld horen vallen, maar over de impact van Claus’ heengaan op de reële voorstelling hoeven we verder niets meer te zeggen. Soms haalt de werkelijkheid de gebeurtenis op het podium in, en ook dat is theater. Toch worden ook wij niet wijzer, zoals het bovenstaand gedicht ergens zegt.

De sobere voorstelling staat  als een huis, dankzij drie pijlers: de tekst (check), een zeer straffe acteur (double check), en een scenografie die dat alles niet in de weg staat maar integendeel aanvult. De dwerg luistert maar zegt nooit iets. Hij lijkt wel doofstom (het zal je maar overkomen), maar hij kan niet anders, ook al bevindt hij zich - noodgedwongen en kunstmatig - op een hoger niveau dan de rondschuifelende De Pauw/Claus, die het allemaal niet deren kan.
Het is niet evident een verzameling interviews naar het podium te vertalen. Je hebt er haast de hulp van de goden voor nodig – ook al bestaan die volgens de belangrijkste tekstleverancier helemaal niet. Zijn woorden hebben wél een uitstekend klankbord gevonden bij deze, één dat galmt. Wij zouden nodeloos kunnen doorbomen, maar dat zou  een of andere echo alleen maar verstoren en hoogstens een in het ijle opgeheven vinger opleveren. Een maan is maar een maan, dat is zonneklaar.



Gezien in het Toneelhuis te Antwerpen, Bourlaschouwburg, op 25 april 2008. www.toneelhuis.be
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie