Martijn Benders woont met zijn vrouw - de Turkse kunstenares Vildan Boran - en kind op de paradijselijke Prinseneilanden, een eilandengroep in de zee van Marmara, voor de kust van Turkije. De Prinseneilanden vormen een onderdeel van de hoofdstad Istanboel en waren ooit verbanningsoorden voor Byzantijnse prinsen. Tegenwoordig huizen er tijdens de zomermaanden vooral rijke inwoners van Istanboel. Auto’s zijn er alleen voor de politie en het stadsbestuur. Alle andere vervoer gaat per paard, koets of fiets. De circa 40.000 bewoners slinken in de wintermaanden tot ongeveer 6.500. Büyükada is het grootste eiland. Vanop Büyükada kun je het vasteland en de hele hoofdstad aanschouwen.
Magere paarden schuilen onder bloesembomen
voor de felle zon. Istanboel beslaat, op Buyukada,
de hele horizon. Als het donker invalt verandert
zij in een gordel van onkies gefluister.
(uit: ‘De Universele Kruideniers’)
Karavanserai bestaat uit vier delen. De vier delen verwijzen naar de verschillende windstreken. Het eerste deel staat volgens Benders symbool voor het zuiden of het absurdisme. Het tweede is het oosten of de barokke uitwaaiering. Het derde is de samentrekking of het noorden. Het vierde en laatste deel is het geplagieerde, verhalende Westen. ‘Je kunt de vier delen ook wiskundig duiden’, verklaart hij verder. ‘Deel één is dan het optellen, deel twee het vermenigvuldigen, deel drie het delen en deel vier het aftrekken. In de bundel hanteer ik verschillende schrijfstijlen of formules. Dat vertaalt zich dan ook weer naar de poëtica. Zo kom ik voor de vier delen respectievelijk bij magisch realisme, impressionisme, hermetica en tragisch-absurdisme.’
Zij zonnebaadt op enorme röntgenfoto’s,
de karavaan van onze democratie.
Zij rolt als een laat gerucht
door de blauwdruk van het paradijs.
(uit: ‘Karavanserai’)
Ter verklaring: een karavanserai is een overnachtingsplek voor karavanen in Centraal-Azië, Anatolië, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Balkan. De karavanserai biedt een veilig nachtelijk onderkomen voor reizende handelaren, hun waren en hun dieren. ‘Karavanserai’s hadden altijd vier ingangen, eentje wijzend naar elke windrichting’, aldus Martijn Benders. ‘Het eerste deel van de bundel is een poging het Universum samen te vatten, bewegend van magisch realisme naar absurdisme. Deel twee is een poging de scheidslijn tussen West en Oost in kaart te brengen, bewegend van barok impressionisme via oosterse poezie naar surrealisme. Deel drie is een poging het universum opnieuw op te sommen via een getallenreeks. De stijl is visueel-hermetisch met vlagen politiek realisme erdoor.’ Deel vier is een poging van de dichter om microcosmos en macrocosmos te verenigen in één cyclus. De macrocosmos van de dichter zijn namelijk zijn invloeden. De stijl daar is overwegend tragisch-verhalend met vlagen van alle voorheen gebruikte stijlen.
Dit is Zijn Wereld
en die wereld ruikt
naar oksels, voetpalmen,
kragen, onderbroeken, geld en dromen
(uit: ‘Hoe God ruikt’)
Benders is bovendien erg gul met het prijsgeven van zijn invloeden. De flap is een bewerking van een tekening van de Amerikaanse graffiti- en muurkunstenaar Andrew Schoultz. Gedichten in het vierde deel ‘De rubberen kamer’ zijn bewerkingen of spookvertalingen van liederen of gedichten van de countryzanger Porter Wagoner, van de bekende Hongaarse dichter János Pilinszky, van de Russische dichters Nikolai Zabolotski en Aleksander Blok. De aanhef is een gedicht van de miskende schrijver van ‘Voetreis naar Rome’, de vergeten Hollandse dichter Bertus Aafjes. Een citaat van één van zijn andere grote voorbeelden, de Frans-Belgische dichter Henri Michaux opent het vierde deel van de bundel. Michaux experimenteerde met hallucinogene middelen op zoek naar een ‘ailleurs’. Hij wilde grenzen verleggen en zich aan alle bindingen onttrekken. Dat gebeurde meestal met behulp van geestesverruimende middelen. Zijn ervaringen met mescaline, LSD en psilocybine legde hij vast in schilderijen en gedichten. ‘Doodlopend water’ is losweg gebaseerd op een gedicht van Henri Michaux, dat naar het Engels vertaald werd door de Amerikaanse dichter Elie Siegel en waarin hij zijn drang om de werkelijkheid te ontvluchten verwoordt. Het leek me Interessant om eens de ontstaansgeschiedenis van dat prachtige gedicht te schetsen. Hier is het originele gedicht van Michaux:
Emportez-moi dans une caravelle,
Dans une vieille et douce caravelle,
Dans l'étrave, ou si l'on veut, dans l'écume,
Et perdez-moi, au loin, au loin.
Dans l'attelage d'un autre âge.
Dans le velours trompeur de la neige.
Dans l'haleine de quelques chiens réunis.
Dans la troupe exténuée des feuilles mortes.
Emportez-moi sans me briser, dans les baisers,
Dans les poitrines qui se soulèvent et respirent,
Sur les tapis des paumes et leurs sourires,
Dans les corridors des os longs, et des articulations.
Emportez-moi, ou plutôt enfouissez-moi.
(uit: ‘Emportez-moi’ van Henri Michaux)
En hier volgt de naar mijn mening in vergelijking met het Franse origineel toch wat mank lopende Engelse tekst van Siegel. Ik begrijp niet waarom het woord ‘caravelle’ hier vertaald wordt door het vrij onpoëtische ‘Portuguese boat of once’. ‘Caravelle’ is bij mijn weten een geldige Engelse term met een mooie exotische bijklank.
Carry me away into a Portuguese boat of once,
Into an old and gentle Portuguese boat of once,
Into the stem of the boat, or if you wish, into the foam,
And lose me, in the distance, in the distance.
Into the yoking of another time.
Into the deceiving velvet of snow.
Into the breath of some dogs brought together again.
Into the weary gathering of dead leaves.
Carry me, without breaking me, into kisses,
Into breasts that raise themselves and breathe,
On palms covering them and their smile,
Into the corridors of long bones, and of articulations.
Carry me away, or rather dig me deep.
(uit: ‘Carry me away’ van Henri Michaux, vertaald door Elie Siegel)
En hier is tenslotte een fragment uit de spookvertaling van Benders die op ‘Carry me away’ gebaseerd werd. De caravelle wordt hier vervangen door de geslaagde metafoor ‘de oude, krakende sloep van je mond’.
De kade daagt. Scheepjes snurken op de golven.
Jij draagt me weg in de oude, krakende sloep van je mond.
De stam van de boot in, het bladerend schuim
verliest mij in de verte. Laat me gaan,
Het juk van een andere tijd in.
Het verraderlijk fluweel in van de sneeuw.
De adem in van honden die elkaar terugvinden
in verrotte bladerbossen of riffen.
Breek me niet, draag me ver.
Kus me met borsten die rijzen en ademen
op de palmen die hen bedekken. Word mijn
doodlopend water.
(uit: ‘Doodlopend water’)
Karavanserai is een zeer complexe en erudiete bundel, die zijn dubbele bodems aanvankelijk niet onmiddellijk prijsgeeft aan de argeloze lezer. Die moet echt veel moeite doen om de mythische en verhalende elementen uit het oosten, vermengd met de alledaagse bedenkingen van een westerling te ontrafelen. Het symbool van de pauw bijvoorbeeld duikt geregeld op, onder meer in het gedicht ‘Melek Taus’. Melek Taus is de zogenaamde Pauwengel of Shaytan, de erg gevreesde godheid van de door de Turken gehate Yeziden, op wie de laatste jaren verschillende aanslagen gepleegd werden. Dit is een gedicht met duidelijke politieke implicaties.
Op de schaduw van een vogel
kan het kwaad niet rusten, neem
mijn vlucht daarin dus waar, liefste.
(uit: ‘Melek Taus’)
In ‘Maritiem kabinet’ lees je met enige fantasie de commentaar van Benders op het Nederlandse staatsbestel. Het vergt lezing na lezing om te snappen waar Benders echt naartoe wilt. Sommige gedichten lijken me nog wat te onaf en te schetsmatig opgesteld. Persoonlijk vind ik de sobere en beschrijvende gedichten, waarin hij zijn leven en ervaringen in Istanboel schetst, de beste en meest sprekende van de bundel. Hier toont Benders inderdaad aan dat hij een magiër met woorden is. Hij tovert de exotische magie van de straten van Istanboel immers heel mooi om naar zijn gedichten. Dat is het deel van de bundel dat de lezer wellicht het meest zal aanspreken. Het zijn rake schetsen die laveren tussen haarscherpe observatie en de milde humor van de buitenstaander. Karavanserai is geen evidente bundel. De wereld is nog niet klaar met deze Martijn Benders.
Ik ken geen stad op deze wereld die zich minder
laat kennen door filosofen. Benader haar niet
door af te geven op de kooplui want dan pareert ze
in haar spiegels. Benader haar niet met geschenken,
geloof me, er zijn dromen die je niet bepakken moet,
beter de zwaarte bewaren voor de zwaan thuis die nooit
is bevonden waterezel te zijn.
(uit: ‘Haydar gaat naar Istanboel om een pauw te kopen’)
www.loewak.nl
Martijn Benders, Karavanserai, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2008, ISBN 978 90 468 0363 9.






