Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Peter Wullen:
Over 'De autist en de postduif' van Rodaan Al Galidi
Over 'Stil Alarm' van Krijn Peter Hesselink
Over 'getande raadsels' van Patrick Conrad
Over Lies Van Gasse, Maarten van den Berg en Hanz Mirck
Over de oorlogscanon van Geert Buelens
Over 'nieuwe sterrenbeelden' van Peter Verhelst
NIEUWE SIRENENGEZANGEN
datum 10.05.2008
auteur Peter Wullen
rubriek Literatuur
Als motto voor zijn nieuwe, fikse dichtbundel nieuwe sterrenbeelden koos Peter Verhelst een frase van songster PJ Harvey én een citaat uit Song to the Siren van Tim Buckley, de vader van Jeff Buckley. Beide heren stierven op zeer dramatische wijze met een tussenpoos van een kwarteeuw. Song to the Siren wordt hier toegeschreven aan This Mortal Coil, het gelegenheidscollectief rond Ivo Watts, het brein achter het Britse alternatieve muzieklabel 4AD, dat in de jaren negentig een drietal albums produceerde van volstrekt wisselende kwaliteit maar net deze ene song naar een ongekende, etherische hoogte en wereldbekendheid dreef. De omfloerste, androgiene stem van Tim Buckley werd door Watts vervangen door de frêle sirenenzang van Elizabeth Fraser, muze van de Cocteau Twins. De nieuwe bundel van Peter Verhelst bevat een snuifje doodsdrift van Buckley, een portie levensdrang van This Mortal Coil en een pak uitmuntende gedichten.
Bestsellerauteur Peter Verhelst oogstte de laatste jaren vooral lof en faam als toneel- en prozaschrijver. Hij schreef onder meer de bejubelde experimentele romans Tongkat en Zwerm. We vergeten daarbij vaak dat hij ooit begon als dichter. Na zeven bundels waarin hij de poëzie kapot probeerde te krijgen, een opzet waarin hij naar eigen zeggen niet slaagde, verklaarde hij zichzelf in 1997 dood als dichter. Die vaststelling kwam echter ruimschoots voorbarig. Verhelst werkte gestaag verder aan een poëtisch oeuvre maar het duurde nog tot 2003 vooraleer hij opnieuw met een dichtbundel op de proppen kwam. ‘In Alaska poëtiseert Verhelst de vernietiging’, schreef criticus Jos Joosten. Verhelst uitte meermaals zijn aversie tegenover de dichtkunst, hij koestert ‘een ironische weerzin tegenover een boekje als een dichtbundel’ en hij heeft iets tegen het ‘volstrekt debiele versjesland en de hoogdravendheid die daarmee samengaat’. We kunnen hem daarin grotendeels volgen.

Toch spreekt nieuwe sterrenbeelden om velerlei redenen onmiddellijk tot de verbeelding. De dichtbundel heeft de omvang van een kleine roman. De strenge, grijze kaft van Alaska maakte plaats voor een kleurrijke reproductie van het schilderij Paolo en Francesca van de Hollandse romantische schilder Ary Scheffer (1795-1858). Geen truukjes dit keer. Geen handopleggingen waardoor onzichtbare gedichten uit het niets opduiken maar een hyperromantisch beeld van een onmogelijke liefde. De prent toont Dante en Vergilius, die het liefdespaar Paolo en Francesca ontmoeten tijdens hun gezamenlijke afdaling naar de hel. Francesca was uitgehuwelijkt aan de broer van Paolo di Rimini maar werd verliefd op hem. Het paar wordt betrapt en vermoord en naar de hel gestuurd omdat ze geen tijd meer kregen om hun zonden op te biechten. Voor eeuwig met elkaar verstrengeld worden ze in een continue wervelstorm meegesleurd zonder ooit tijd te krijgen om op adem te komen. Paolo en Francesca staan voortaan symbool voor de onmogelijke liefde. Op de flap zie je Vergilius en Dante in beate verwondering en met open mond staren naar het getormenteerde liefdespaar.

een man en een vrouw staan tegen elkaar aan. De vrouw kijkt opzij,
ademt in en sluit de ogen, legt voorzichtig een oorschelp op zijn borst
als mag ze luisteren naar het ontstaan
van een lawine.


Dit is hem dan! De dichtbundel die Verhelst zogezegd in de eenentwintigste eeuw moet binnenhevelen. De postpostmoderne dichter oogt fraai, maar grijpt toch nog vaak terug naar popsymbolen van de twintigste eeuw. Kijk maar naar de titels van de gedichten. De titel van een cyclus is Black Hole Sun, de hymne uit 1994 die van Chris Cornell en zijn kornuiten van Soundgarden de helden maakte van het postgrungetijdperk. Verhelst gaat nog verder terug. Life On Mars heet één van de nummers, euh…, gedichten van de bundel. Let’s get lost is een ontelbaar keer gecoverd nummer van jazztrompettist Chet Baker. Verhelst weet waar hij zijn invloeden haalt: uit de populaire muziekcultuur van de twintigste eeuw. Soms doet hij dat zeer expliciet. Soms zijn het gewoon verborgen links en hints in de gedichten. Zo dacht ik dat de titel Kijken in de zon een bijna letterlijke vertaling was van Staring at the sun van U2. Of Offspring? Neen, het is Ultra Vivid Scene van Kurt Ralske, ook al een 4AD-band, onze alternatieve darlingen uit de jaren tachtig en negentig. De vele muurgedichten zijn misschien een indirecte verwijzing naar The Wall van Pink Floyd, ook uit het begin van de jaren tachtig? Ik las ergens ‘het hart van de zon’, een letterlijk citaat uit een nummer van Pink Floyd. De eigenlijke gedichten staan gelukkig min of meer los van de titels. Maar het is een typisch postmodern truukje dat bij mijn weten voor het eerst toegepast werd door de piepjonge Van Bastelaere in zijn debuutbundel Vijf jaar, naar een titel van een nummer van de onvermijdelijke David Bowie…

Life On Mars

Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart

was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij

was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren
.

In het laatste deel van de twintigste eeuw was het modieus en trendy om je favoriete popartiesten te citeren in je poëzie. Nu lijkt dat wat passé… nieuwe sterrenbeelden bevat iets meer dan honderd gedichten. Stijl en vorm variëren voortdurend. Verhelst probeert zowat alles uit wat in zijn poëtisch vermogen ligt. Harde prozagedichten en gevoelige liefdessonnetten wisselen elkaar met schijnbaar moeiteloos gemak af. Korte cycli van vijf à zes gedichten volgen op aparte gedichten, die op het eerste gezicht nergens bijhoren. Verhelst slaagt er nochtans in om een eenheid te scheppen in deze zeer afwisselende en beeldrijke bundel. Hij is hier duidelijk een zoekende dichter, die dezelfde onderwerpen, thema’s en beelden eindeloos exploreert. Toch is er een procédé. Soms leidt het ene gedicht gewoon naar het andere. Het is een eindeloos streven naar volmaaktheid. Ik meen dat Verhelst hier zelfs heel gevaarlijk dichtbij komt bij wat ik het ‘ultieme gedicht’ zou durven te noemen. Buiten het feit dat hij af en toe wat te veel citeert (cf. supra), kan ik moeilijk minpunten aanwijzen in nieuwe sterrenbeelden. De taal van Verhelst slaat met verstomming. De beelden zijn af en toe rauw en gedurfd. Verhelst haalt de dingen uit elkaar en vijst ze op een andere manier weer samen: lichamen, muren, bergen, putten... Ze worden allemaal taalkundig gesloopt en opnieuw opgebouwd. Je valt van de ene verbazing in de andere. Je leest keigoede gedichten tot je op dat ene sublieme gedicht stoot waar hij taalkundige spijkers met koppen slaat. Het is funest voor de verbeelding van andere dichters, maar ik heb weinig gedichten gelezen in het Nederlandse taalgebied die kunnen tippen aan ‘tot de heupen’, ‘als een tafelblad glanzend’, ‘tussen muren die er niet zijn onder een dak dat er onmogelijk kan zijn op een vloer van niets’ of aan ‘vaas’, dat iets verder opgevolgd wordt door ‘ontwerp van de noodzakelijke vaas’.

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.


Alsof het allemaal nog niet genoeg is – en hier ontsnapt een werkelijk heel diepe zucht uit de longen van de poëzierecensent – speelt Verhelst op een ongeziene en zeer sensuele manier met geslachten en met omkeringen van geslachten. Het is een lieve lust om dit te lezen. Lady of the Flowers refereert aan de gelijknamige travestietenroman van de Franse schandaalschrijver Jean Genet. Terwijl hij het in zijn overige gedichten toch overduidelijk over een vrouw had, overheersen in het tweede en derde gedicht van de cyclus Black hole sun de homo-erotische beelden (‘we waren minnaars/van de overvloed, twee jongens die van vlees en spieren’; ‘toen je heersend als een man mij nam’; ‘zoals je keer op keer in me kwam’). Dit zijn gedichten die je in totale verwarring achterlaten. Mijn voorkeur gaat uit naar het gedicht ‘1 (spier)’ uit de gedichtensuite ‘magnesiumlicht (soms)’, waarin hij met chirurgische precisie de orale liefdesdaad beschrijft. Niemand doet Verhelst dit na. Een fragment.

Soms ligt iemand als een maquette op je handpalm. Je kunt in- en uitgangen
moeiteloos aanwijzen. Je schuift haar tussen je vingers, ze walst
als een cognacbel. Kijk hoe ze een eigen leven gaat leiden.
Achterwaarts kruipt ze tegen de muur op, ze weet niet langer
wat haar door de ogen kijkt, slaat een been
om je hals, trekt je met de hiel dichterbij. Flitsende spier
zuigt zich vast. Zet je schrap, neusbeen tegen heupbeen. Bot
dat altijd door de dingen heen blijft schemeren, wat je ook wilt.






Peter Verhelst, nieuwe sterrenbeelden, Prometheus, Amsterdam, 2008, ISBN 978 90 446 1146 5.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie