Goede boeken doen nadenken en zetten aan tot debat. Daar dacht ik aan toen ik de eerste pagina’s las van dit vermakelijke ethische en intellectuele naslagwerkje met uitgebreide briefwisseling tussen de Gerbrandy en Kinneging, uitgegeven bij Meulenhoff … Het ideeëngoed van beide auteurs ligt mijlenver uit elkaar, maar de schrijfstijl is bij vlagen briljant. Ik ben daar best tevreden mee. Het is een uitstekende brievendialoog tussen een dichter en een filosoof. Het boekje leest als een TGV. Het zijn esthetisch verantwoorde en rationele woorden en zinnen van heel wijze mannen. Heerlijke maar onverenigbare ideeën, dat wel, bijvoorbeeld: een filosoof wordt nooit een dichter. Een dichter wordt nooit een filosoof.
Hoewel ik het niet in mijn hoofd zou halen mijzelf met Horatius te vergelijken, lees ik zijn brieven met intense betrokkenheid. Hij spreekt daarin immers over zaken die jou en mij ten diepste bezighouden. Hoe beheers je je hartstochten? Hoe ga je om met vrienden? Welke verantwoordelijkheid draag je voor een maatschappij die je niet zelf hebt uitgezocht? Kortom: wat is het goede leven? Dat hij om zijn gedachten te ontwikkelen voor de poëzie heeft gekozen, verbaast mij niet. Het is bij uitstek de vorm waarin denken en voelen samenkomen. De stijl is geen kleed maar een huid. (Gerbrandy)
De denkers gedragen zich heel bedaard. Beide schrijvers zijn classici. Dat verklaart veel. De rationele en spitse meningsverschillen worden nooit uitgespit tot heuse dialogen of bitse discussies. Ieder blijft tot op het einde vriendelijk en op zijn eigen terrein. Het is Plato tegenover Aristoteles. De eeuwige tweedeling. Praxiteles versus Pollock. Bach of Händel tegenover Feldman of Stockhausen. Klassiek tegenover modern. De mens tegenover het beest. Het beest in de mens. De mens in het beest. De tegenstellingen worden nooit extremen in de handen van deze wijze mannen. Leuk om deze intellectuele zwaargewichten aardig te zien doen op elke pagina van het boekje terwijl ze toch fundamenteel van mening verschillen.
Veel dank voor je brief. Ik heb hem met plezier gelezen. Je schrijft prachtig. Zinnen als die over ‘horden als veelkleurige attracties opgedirkte dellen, die arm in arm met getatoeëerde krachtpatsers een oeroude vitaliteit uitstralen waarbij ik, als bedaagde intellectueel, jammerlijk verbleek’. Heerlijk. Een genot om te lezen. Maar stijl, daar gaat het, pace Oscar Wilde, uiteindelijk natuurlijk niet om. Stijl is uiterlijk, buitenkant, vorm, verpakking. Alleen weke estheten, zoals Wilde, denken dat stijl hoofdzaak is. (Kinneging)
Terwijl ik Het goede leven las, zag ik – wonder boven wonder, alsof men mij iets op de mouw wou spelden - een heus natuurwonder boven mijn eigen stad: een ongeziene, dubbele regenboog. Wow! Misschien is het dat dan wel? De lucht zinderde en spatte gedurende tien minuten uiteen in alle mogelijke kleuren, tot mijn ogen er pijn van deden. Onmogelijk om op film vast te leggen, maar het perfecte addendum bij dit boekje. Zo komen de dingen op een zeer gelukkige maar amorele en onverschillige wijze samen, met dank aan Moeder Natuur. Het zette me opnieuw aan het denken. Misschien ligt de oplossing niet in het boekje, maar erbuiten? Misschien zijn wij, mensen, fout als we daar een moraal bij willen betrekken? Sommige dingen zijn nu eenmaal zoals ze zijn.
Ik praat graag nog eens met je verder over al deze dingen, Piet, maar dan liever niet op schrift. Want, zoals Plato schrijft in de zevende brief: de ernstigste zaken kunnen nu eenmaal niet goed op schrift gesteld worden. Herlees die passage nog een keer. Dan begrijp je wel wat ik bedoel. (Kinneging)
Gerbrandy en Kinneging gaan weliswaar zorgvuldig de sociale en politieke implicaties van hun denken uit de weg. Dat is uiteraard de fallacy van het boekje. Een moraal kan niet zonder een samenleving. Moraal bedrijf je niet op je computer of in in geleerde boeken. Moraal bedrijf je daarbuiten. In Moskou was ik even aan het kijken naar een lokale reality soap. Het tv-programma oversteeg voor mij alle Big Brother-toestanden, omdat hier op kleine schaal een beeld geschetst wordt van de moraliteit of amoraliteit van een samenleving. Of die nu in decline is of niet. Ik leer meer uit zo’n programma dan uit de lectuur van eender welke klassieke of moderne Russische of Westerse denkers.
Knarsen je tanden al Piet? Wat ik nu ga zeggen, zal dat vermoedelijk nog doen toenemen. Het beste wat ooit is gezegd, geschreven en gemaakt in de kunsten is in overwegende mate Europees van origine. Het is het product van de Griekse filosofie, het christendom en de gelukkige combinatie van die twee. Natuurlijk, de boeddhistische, hindoeïstische, confucianistische, taoïstische, islamitische en andere tradities hebben schitterende werken opgeleverd, waar we soms veel van kunnen leren. Maar vergeleken met de rijkdom en de diepte van de grote Europese Traditie zijn al deze tradities toch betrekkelijk arm en beperkt. (Kinneging)
Ik denk persoonlijk dat Kinneging hier groot ongelijk heeft. Rekent hij Rusland met zijn formidabele literatuur en cultuur ook tot de grote Europese Traditie? Heeft hij nagedacht over de blijvende nasleep van het communisme en de toenemende invloed van het westen en de gevolgen daarvoor voor de kunsten en de moraal? Sommige passages van Het Goede Leven deden me nochtans nadenken over de situatie in Rusland op dit moment. Kan men daar het beest in de mens ooit tot beheersing brengen? De toekomst lijkt er rooskleuriger dan ooit. Maar dan kom je weer bij de ingebouwde probleemstelling van het boekje: kan men de inherent destructieve krachten van die samenleving voldoende in de hand houden om een goed leven voor alle burgers te garanderen? Op dit fragiele terrein begeven de heren professoren zich echter net niet. Ik vroeg het me wel af.
Daarom koester ik, misschien tegen beter weten in, de anarchie. Zeker, zij moet ons niet de baas worden. Maar een samenleving die het beest bot onderwerpt, wordt er vroeg of laat door doodgebeten. (Gerbrandy)
Ik ben echt jaloers op de sublieme schrijfstijl van beide auteurs. De ideeën daarentegen zijn verwerpelijk, reactionair en af en toe op het randje van het wansmakelijke (bijvoorbeeld wat Kinneging hier beweert over de suprematie van de westerse cultuur, Gerbrandy over het ‘beest’ in zichzelf). Gerbrandy is de meest zinnelijke van de twee. Daardoor sprak hij mij het meest aan. Zelf lezen maar. Overbodig boekje van twee weergaloos arrogante geesten. Of moet ik schrijven: lichamen?
Het beest, Andreas, is het lichaam. Het stelt mij ertoe in staat mijn geliefde te beminnen en een lamsbout te braden. Mijn huid voelt het verschil tussen aarde en regen, mijn lippen en tong proeven het schuim van een Westmalle Tripel, mijn ogen peilen het blauw van Filipinno Lippi en het groen van de lariks, ik herken de zang van de heggenmus en de geur van vers wasgoed aan een lijn in de wind. Ook dat is het leven. (Gerbrandy)
Piet Gerbrandy & Andreas Kinneging, Het goede leven, een briefwisseling, Meulenhoff, 2008, ISBN 978 90290 8156 6.






