Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Sophia Van Parys:
Nogmaals: 'Kamermuziek' van Paul Mennes
66 vragen naar aanleiding van 'Het schervengericht' van A.F.Th.
Over 'Tirza', 'Het derde huwelijk' en de 'actualiteit'
Het derde huwelijk van Tom Lanoye
De dood van een auteur
IN MEMORIAM HUGO CLAUS
datum 19.03.2008
rubriek Literatuur
Waarom treuren wij als er een auteur overlijdt wiens oeuvre voltooid genoemd mag worden? De dood van Hugo Claus is veel, maar het is geen verlies voor de literatuur: de boeken zijn geschreven, de teksten zijn klaar, er was niks meer op komst. Het verdriet van België staat in meer dan dertig drukken in de kast, en de dood van de auteur verandert daar niks aan. Het belang van een auteur ligt in zijn werk, en dat is er nog steeds. Waar zijn we dus, als de tranen ons in de ogen schieten bij het horen van zijn karakteristieke stem – en wie denken we te zijn? Waarom bellen we elkaar op, berichten elkaar, en doen we alsof er vandaag, 19 april 2008, plots minder mag gebeuren dan op andere dagen, alsof we overvallen zijn door een groots, afschuwelijk nationaal drama? Dat kan toch enkel berusten op goedkoop en gemediatiseerd sentiment! En toch: er zijn genoeg redenen om te treuren op de dag dat Hugo Claus er voor het eerst niet meer is.
De belangrijkste reden heeft Roland Barthes verwoord in zijn Sade, Fourier, Loyola uit 1971: er zijn boeken waarvan de schrijvers vrienden zijn. ‘L’auteur qui revient n’est certes pas celui qui a été identifié par nos institutions; ce n’est même pas le héros d’une biographie. L’auteur qui vient de son texte et va dans notre vie n’a pas d’unité; il est un simple pluriel de “charmes”, le lieu de quelques détails ténus, source cependant de vives lueurs romanesques, un chant discontinu d’amabilités, en quoi néanmoins nous lisons la mort plus sûrement que dans l’épopée d’un destin; ce n’est pas une personne, c’est un corps. (…) Car s’il faut que par une dialectique retorse il y ait dans le Texte, destructeur de tout sujet, un sujet à aimer, ce sujet est dispersé, un peu comme les cendres que l’on jette au vent après la mort.’ Het sujet waarvan wij houden en dat wij betreuren heeft ons plezier bezorgt zoals alleen een vriend dat kan: zonder oordeel, met de vereniging van tegendelen en tegenstellingen, met de eeuwige onzekerheid over de ware intenties en gevoelens – en met de noodzaak van het geloof in die vriendschap die daaruit tevoorschijn vloeit. Claus was als enige Vlaamse schrijver die vriend bij uitstek, omdat zijn boeken in onze levens binnendrongen, terwijl zijn alomtegenwoordige maar paradoxale persoonlijkheid die oneindig herhaalde entrée alleen maar versterkte, als stond ze model voor de eeuwige onzekerheid van de literatuur. Omdat lezen een nagenoeg lichamelijk genoegen is – het is door niemand beter aangetoond dan door Barthes – vereenzelvigen wij, bij gebrek aan beter maar niet minder terecht, onze omgang met zijn werk met zijn lichaam: met het verstrooien van de auteur betreuren wij de verstrooiing en de groei die tijdens de lectuur plaatsgreep.

Het is niet moeilijk om schamper te doen over de publieke figuur Claus, en om hem en zijn werk af te rekenen op de manier waarop hij van in het begin gekozen heeft om in de openbaarheid te treden. De redenen waarom Claus als enige Vlaamse auteur zowel door grootmoeders als kleindochters gekend was, zijn zonder meer extra-literair: ze hebben niks te maken met zijn boeken. Het gaat om Emmanuelle, om het gescheld op de paus, om de zonnebril op televisie, om de schorre stem, om de herhaaldelijke Nobelprijsnominaties, om de band met premier Verhofstadt en met Jan Decleir. Is dat erg? En is dat een reden om waarachtig te treuren, om de dood van de enige echte literair bekende Bekende Vlaming? Wat er ook gezegd kan worden over het mediagenieke schimmenspel van Claus: het is nooit, op welke manier dan ook, vervlakkend geweest – en wel integendeel. Het heeft de lectuur van zijn werk, voor wie er voor open stond, alleen maar verrijkt, zoals wij van de gemeenschappelijke kennis die de culturele openbaarheid in Vlaanderen is, kunnen horen dat een vriend achterklap over ons vertelt – maar bij een volgende werkelijke ontmoeting is dat weer helemaal vergeten en vergeven. Claus misprijzen om zijn publieke aanwezigheid, is eigenlijk de vinger richten op de afwezigheid van een voldragen kritisch klimaat. Hij heeft van bij aanvang begrepen dat hij niet schreef in een land met een voldragen literaire cultuur, en het is de voortdurende ambiguïteit van zijn omgang met die (zogenaamde) cultuur geweest, die hem maar vooral zijn werk uitzonderlijk heeft gemaakt. Met het overlijden van Claus betreuren wij dus ook het verscheiden van die manier van cultuurproductie – ironisch, halfslachtig, eerder intelligent lui dan integer, en met steeds het plezier, en de combinatie van kritiek en mededogen voor ogen, die voor dit plezier garant weet te staan. Het is een cultuurproductieve positie die bij uitstek laat-twintigste-eeuws genoemd moet worden, en die met Claus hoogstwaarschijnlijk verdwijnt.

Wat nu daagt is angst. Op een eerste, oppervlakkige en foutieve manier, lijkt dat om de angst te gaan bij het verlies van een ‘lichtend baken’ dat niet meer schijnt, van een auteur die de blik wist te richten op wat van belang was en wat niet. Maar nogmaals: de boeken zijn er nog. En wat zou dan wel dat zogenaamd moreel, kritisch of levenskunstig overwicht geweest moeten zijn dat bij leven en welzijn van Claus hoogtij vierde? Heeft Claus ons dan eindelijk leren leven, en is zijn leven daar noodzakelijk voor? Toch niet. Waar het hier, zoals bij alle grote literaire oeuvres om gaat, is niet het Etienne Vermeersch-achtige gebods- of verbodsgehalte – het gaat om autoriteit, om de literaire autoriteit van en in een tekst. Maakt het een verschil of de auteur van die tekst zich aan deze of gene zijde van de dood bevindt? Is, met andere woorden, het werk van Tolstoj minder ‘effectief’ dan dat van bijvoorbeeld Coetzee? Is de werkelijkheid van Het verdriet van België minder werkelijk – is het verdriet minder groot – na de dood van de auteur? We kunnen er echter niet onder uit dat alle  ‘mémoires de l’outre-tombe’ onheilspellender, fatalistischer en pessimistischer weergalmen en dus gehoord worden. Het gaat daarbij niet om de ‘brandende actualiteit van een werk’ of andere dergelijke platitudes, maar om de mogelijkheid en het recht om het werk steeds weer te enteren en binnen te halen – en dus te lezen. De lectuur van het werk van Claus zal noodzakelijkerwijze eenzamer worden, en los van de kwaliteiten ervan, is er een grote taak weggelegd om de voortschrijdende monumentalisering ervan tegen te gaan. De angst waarvan sprake is dus vooral een angst voor het geval die taak te zwaar mocht blijken; de treurnis is een treurnis zoals die optreedt bij de onzekerheid van elke (weder)geboorte.

‘Na het overlijden van een gevierde of vereerde schrijver,’ schreef Gerrit Komrij vier jaar na de dood van Willem Frederik Hermans in De tranen der ecclesia’s, ‘treedt onmiddellijk de kritieke fase in. De schrijver is als attractie of als controlerende instantie weggevallen, het werk moet het alleen doen. Soms kan het oeuvre van een auteur mét zijn dood als een ballon leeglopen. Sommigen slagen er na hun dood in een symbool te worden van iets wat ze tijdens hun leven helemaal niet waren. Anderen weer valt een schandalige devaluatie van imago ten deel, omdat tijdens hun leven de aasgieren al op de loer lagen.’ De academische receptie is in dit geval zonder twijfel verzekerd: het aantal doctoraten en onderzoeksprojecten omtrent Claus zal alleen maar toenemen. Langs de andere kant loert het vastzetten van zijn oeuvre in ideologische, opportunistische of versteende kaders, om de hoek. Het is ook niet onmogelijk dat zich al snel de keerzijde van Claus’ spiegelpaleis zal tonen, en dat met het wegvallen van de cultus van zijn persoon, de cultus van zijn boek zal volgen. De uitgebreide berichtgeving in de vaderlandse pers op de dag van het overlijden, heeft het boek alleszins al grotendeels links laten liggen. Uiteindelijk gaat het er dus om de dode auteur ongelijk te bewijzen, door aan te tonen dat of een werk levend blijft en gelezen wordt, wel afhankelijk is van de kwaliteit ervan. De grootste, noodzakelijke dienst ligt er dan ook in, om ondanks dat besef, Claus als vriend te behouden.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie