Als het Ithakateam zich heeft voorgenomen om aan te tonen dat hedendaagse kunst niet hoogdrempelig hoeft te zijn, dan is het daar wonderwel in geslaagd. Aan het onthaal krijg ik naast een hartelijke glimlach en een grondplan ook een zakje met zaadjes mee. Deze kan ik onderweg planten op de smalle grasmatten die als een groene draad doorheen het tentoonstellingsparcours lopen, of meenemen naar de eigen achtertuin. Ook voor de kunstwerken zelf is een take-away-formule voorzien: in de grasmatten steken witte plastieken piketten met daarop afbeeldingen van de werken. Mijn favoriet mag ik er straks uitpikken. Deze knipoogjes – bezoekersvriendelijk maar niet betuttelend – zijn de verdienste van interieurvormgever Sven Coenen.
Het gezelligheidsgehalte van Coenens scenografische ingrepen wordt nog verhoogd door het eerste kunstwerk op mijn weg. Een ‘interactieve installatie’ van Samuel Vanderveken nodigt me uit om mijn schoenen achter te laten in een rek - dat eveneens met grasmatten is bekleed - en zachte witte pantoffels aan te trekken. Volgens de kunstenaar heeft dit gezellige werk echter ook een scherp randje. De sporen die de schoenen van de bezoekers achterlaten op het groene gras staan namelijk symbool voor de geleidelijke vernietiging van de natuur door de mens. Of de bezoeker in zijn comfortabele pantoffels er echt hartzeer van krijgt dat hij de artificiële grasmatten een beetje beschadigt, is natuurlijk de vraag. Nee, dan slaagt Vandervekens absurde fresco Buda Drive Deer Suit even verderop – waarin hij een hert in een spiritueel kleedje steekt door een boeddhistische monikkenpij rond zijn schouders te draperen, en het een intellectuele look bezorgt door een grote zwarte bril op zijn neus te schilderen – er beter in de toeschouwer even te laten stilstaan bij de interactie tussen natuur en cultuur.
Er zijn wel meer werken in deze tentoonstelling die op vrij expliciete wijze reflecteren over de verhouding tussen mens en milieu, wat één van de mogelijke invullingen van het centrale concept “amphi-bios” kan zijn. Karen Van der Perre doet dat bijvoorbeeld door een kamer vol te gooien met oude rommel en laat daartussen zaad van felgroen gras ontkiemen. Deze installatie - getiteld The Grassroots Resistance - wil een boodschap van hoop uitdragen: tussen het afval groeit nieuw leven. Van der Perres aandacht voor de milieuproblematiek lijkt echter groter dan haar zorg om de sculpturale kwaliteit van haar werk. Daardoor komt het gecreëerde beeld eerder over als een letterlijke en ietwat belerende vertaling van een idee, dan als een kunstwerk met ecologisch bewustzijn. Toegegeven, het is een moeilijke evenwichtsoefening.
Een meer poëtische en persoonlijke benadering van het globale ecologische vraagstuk biedt Daan Fikkert. Zijn Brief aan de zee combineert een origineel vormgegeven video-installatie met een handgeschreven brief, waarin hij zich richt tot het ontzagwekkende water als tot een oude vriend. ‘U komt de laatste tijd nogal negatief in de media’, stelt de kunstenaar-briefschrijver met spijt vast. Tegelijk toont hij op verschillende tv-monitors voorbeelden uit de schilderkunst waarin de zee een inspirerende rol heeft gespeeld. In Brief aan de zee flirt Fikkert met wat ‘romantisch’, ‘nostalgisch’ of ‘naïef’ genoemd zou kunnen worden – maar dat maakt zijn werk net oprecht, ontroerend en herkenbaar.
De Nederlandse Jitske Kroon stileert de dubbelzinnige relatie tussen mens en water tot een ‘installatieobject’ met de titel Watervreesvreugde. Een knaloranje cocon van opgeblazen zwembandjes lijkt op het eerste zicht een leuk designvoorwerp, maar confronteert de toeschouwer ook met de dreigende gevolgen van de opwarming van de aarde.
Tot zover de werken die op thematisch vlak een expliciet milieubewustzijn delen. Een andere groep van kunstenaars lijkt bij het tentoonstellingsconcept “Amphi-bios” vooral gedacht te hebben aan de dubbelheid die de menselijke biotoop verdeelt in een ‘binnen’ en een ‘buiten’. Zij gaan vanuit het voormalig Instituut van Land- en Waterbeheer de relatie met de directe omgeving aan.
Jeremy Swinnen trekt letterlijk naar buiten, gaat het gebouw uit en palmt de tuin in. Met zijn blauwe graffitti-vogels - gespoten op een haag en een gazon - wil hij de heersende codes in de kunstwereld doorbreken. Zijn zoektocht naar onalledaagse dragers en technieken lijkt vooralsnog een simpele vormoefening. Ook de vlekkerige schilderijen van Arthur Stokvis - die zich in hun fletse kleuren nauwelijks onderscheiden van het interieur, maar volgens de tentoonstellingscatalogus een zelfgemaakte stafkaart van de tuin moeten voorstellen - kunnen me niet bekoren. De frêle beelden die Marleen Kurvers creëert door zwart-wit-foto’s van het interieur en exterieur van de locatie te zeefdrukken op de twee kanten van een glazen plaat, spreken meer tot de verbeelding. Spijtig genoeg wordt die verbeelding ingeperkt door het intellectualistische discours dat de kunstenares rond haar werk wil weven. Tegenover de bedrukte glazen platen - die naast elkaar in de ruimte opgehangen zijn en mooi interageren met de ramen van de kamer - heeft ze een zin aangebracht: ‘This space becomes the conciousness of our perceptional reality’. De zwaarte van die claim doet de lichtheid van de semi-transparante kunstwerken bijna teniet. Bij de projectie To Rewind van Kristof De Borle - waarin hij opnames van tastbare elementen uit het interieur herschept tot een virtuele realiteit - heb ik het omgekeerde gevoel: zijn concept is sterk en gelaagd, maar de concrete audiovisuele uitvoering raakt geen gevoelige snaar.
Een andere jonge kunstenaar die ook op zoek is naar de abstrahering van concrete ruimtes, maar dan binnen de schilderkunst, is Reinhard De Jonghe. Zijn pasteuze verfcirkels in combinatie met droge penseelstreken komen in het grootste schilderij tot een goed gecomponeerd beeld; de andere tableaus lijken slechts voorstudies. In de kamer van Tamara Van San is het kunstwerk all over the place. En Van San brengt kleur in je interieur, zoveel is duidelijk. Van de grond tot aan de nok zijn uiteenlopende materialen als plasticine, wol, kralen, springballen,… te zien. Als het maar fluo is. Het soort kunst waar kinderen op kicken. Het architectenduo Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenbergh biedt een veel strakkere benadering van de ruimte. Na zoveel gezelligheid en vrolijke kleurtjes is het even wennen aan het koude licht van de tl-lampen en het naakte ijzeren geraamte van hun serre-achtige constructie. Greenhouse Intersect lijkt de ruimte niet te willen opvullen, maar opent ze. Bijzonder is ook dat hun driedimensionele bouwwerk aan één zijde als het ware ingekaderd wordt door een muur, waardoor het bekeken kan worden als een geometrisch tableau.
Tot slot zijn er op Amphi-bios nog een aantal werken te ontdekken die de betekenis van het sturende thema erg breed hebben opengetrokken. Vanuit de etymologische oorsprong van het Griekse woord Amphi-bios - wat zoveel betekent als dubbel-leven - portretteren deze werken de mens als een dubbelwezen in het spanningsveld tussen heden en verleden, willen en (niet-)kunnen, droom en werkelijkheid, enzovoort. Toevallig of niet leidt deze breedste interpretatie tot de interessantste werken van Ithaka 16.
De kamer van Astrid Van Nimwegen en Isa Van Duuren lijkt op het eerste zicht leeg – op het verwarmingselement in het midden, een stoel tegen de muur en een beeldscherm na. Op dat beeldscherm krijgt de toeschouwer de kamer in zwart-wit te zien en zichzelf, vanuit een afstandelijk en vervreemdend standpunt. Maar nog vreemder wordt het wanneer op het beeld van de kamer twee transparante meisjesfiguren blijken rond te waren, als spoken. Van Nimwegen en Van Duuren zijn immers in deze ruimte geweest, hebben hier gezeten, gewandeld, gesprongen, elkaar ontmoet. Die handelingen uit een onbepaald verleden werden geregistreerd door dezelfde bewakingscamera die nu de bezoeker in beeld brengt. Als bezoeker wordt je dus deel van hun performance – of zij van de jouwe – en kan je proberen de meisjes uit het verleden tegemoet te treden, hen achterna te lopen, tegen hen aan te botsen. Maar dat allemaal gebeurt uitsluitend op het beeldscherm. Het principe achter dit werk is vrij eenvoudig. Toch slagen de kunstenaressen erin een bijzondere ervaring te ensceneren die essentiële vragen oproept over de vergankelijkheid van het verleden, de archiveringsdrang van de mens, het alziende oog van de camera, de (on-)mogelijkheid van ontmoeting, en zo meer.
Even pretentieloos en trefzeker is het werk van Charlotte Peys. Aan een dunne draad hangen een aantal bladen naast elkaar met daarop telkens een tekening – in fijne zwarte lijnen, verf en collagetechniek – en een zin. Meer heeft Peys niet nodig om de mensheid in al zijn (illusoire) grootsheid én kleinheid te kijk te zetten. De titel Monumenske geeft deze dubbelheid perfect weer. Met een genadeloos mededogen schetst de kunstenares de ontgoochelingen en dromen van het dagelijkse bestaan. Omdat ze er nét genoeg humor en fantasie aan toevoegt, ontstaat er een neveneffect dat troost heet. Haar gevoelige en sobere tekenstijl beschrijven, is moeilijk. Eén van haar zinnen citeren kan ik wel: ‘"Je bent onvoldoende gefrankeerd," zei de man achter het loket, terwijl Gilbert enkel even de stad uit wilde.’ Stel je daarbij de verweesde blik in de ogen van Gilbert voor…
In het laatste kamertje van het parcours heeft Katrien Hendrickx haar werk geïnstalleerd. Het bestaat uit een ouderwets gebloemde sofa en een maquette van een berglandschap. Ze zijn met elkaar verbonden door rode wollen draden die zorgvuldig geborduurd werden langs het bloemenpatroon op de sofa, alvorens te worden uitgespannen naar de maquette, om daar een weg naar de bergtoppen te markeren. Midden in dat landschap staat een figuur: een jonge vrouw in matrozenpak met een bootje onder de arm, als een eenzame bergwandelaar in een schilderij van Friedrich. Alleen staart zij niet dromerig de verte in, maar kijkt ze ons aan. Als toeschouwer krijg je meteen het gevoel dat er een heel verhaal verteld wordt – of zelfs meer dan één – in de intimiteit van deze kamer. Met dit laatste werk zijn we dus terug bij de gezelligheid van in het begin, maar toch is deze ook onherroepelijk ontgrensd. De installatie van Katrien Hendrickx is te interpreteren als een voyage imaginaire, zoals de tentoonstellingscatalogus suggereert. Ik lees er bovendien het dubbelleven in van vele jongeren vandaag: oscillerend tussen het huiselijke van de oude sofa en de adembenemende uitdaging van de wijde wereld. Een gelaagd beeld, in elk geval, en een voltreffer om de tentoonstelling mee af te sluiten.
Ithaka 16: AMPHI-BIOS
12 – 15 maart 2008
Instituut voor Land- en Waterbeheer
Vital Decosterstraat 102
3000 Leuven






