.jpg)
De schilder werkt in een gigantisch atelier, een deel van een oude katoenspinnerij. Hij is moeilijk uit Leipzig weg te krijgen, de omgeving is noodzakelijk voor zijn schilderijen. Met dat doel fietst hij ook elke dag 20 km heen en weer tussen zijn atelier en zijn woning. Onderweg ziet hij de boerderijen waarvan we al spraken, de bosrijke landschappen, de vervallen fabrieken, de socialistische woonbouwprojecten. Ze vormen het decor voor de taferelen op zijn schilderijen. Hij begint altijd met dit decor, het is als het ware een podium voor zijn personages. Die personages zijn meestal klonen van hemzelf, soms in een duivelse versie met een sikje. Verder duikt regelmatig een vrouwelijke figuur op en zien we ook wel eens een dwerg figureren of een zogenaamd Hirt, een bizarre kruising tussen een eskimo en een pelsdier. De kostumering bestond aanvankelijk vooral uit werkpakken en voorbindschorten. Nu zijn nogal wat personages uitgedost in chique jachtkledij, met de typische pandjesjassen en beenkousen. Decor en personages vormen het materiaal voor vreemde composities die, zoals Neo Rauch zegt, “uit de vloer van zijn atelier” komen. Een voorontwerp of voorbereidende schetsen maakt hij immers niet, hij begint direct op het witte doek. De beelden komen wel niet in één keer, hij bouwt ze stap voor stap op. Hij speelt schaak met zichzelf, elke zet is een reactie op de vorige. Daarbij worden vooral schilderkundige criteria gevolgd: vorm, kleur en compositie gaan voor. Inhoud komt op de tweede plaats, want “het is slechts een hobby” volgens Rauch. Een ideaal recept voor een surrealistisch en tegelijk esthetisch resultaat. Een hele prestatie, want de foutmarge is beperkt. Hij schildert de gebouwen, figuren, houdingen etc. quasi volledig uit het hoofd. Een grondige kennis van perspectief, schaduwwerking, anatomie en dergelijke is daarbij onontbeerlijk. Een aanpak die enkel is weggelegd voor grote schilders. We mogen hem gerust vergelijken met Francis Bacon, die een gelijkaardig vraag- en antwoordspel met het canvas speelde. Of met Rubens, die ook hele taferelen kon opzetten gebaseerd op vooraf opgedane kennis. Niet voor niets wordt Neo Rauch door sommigen “Der Übermahler” genoemd.
Titel van de expo is “Para”, een aardigheidje van Rauch dat ons tot associaties moet brengen met woorden als paranormaal, parallel, paradox etc. Iets dat de directeur van het Max Ernst Museum inspireerde tot volgende omschrijving van Rauch’s werk: “Paranormale Bildramen mit paralysierte Figuren in paradoxen Situationen”. Het woord “para” duikt ook op in verschillende schilderijen, het staat er soms letterlijk opgeschilderd. De expo start met het schilderij "Vater" waarop een vader een kind in zijn armen houdt. Alleen lijkt de vaderfiguur verdacht veel op Rauch en ziet het kind eruit als een volwassene. Het is alsof de schilder als schepper één van zijn personages vasthoudt. Zijn handen zijn misvormde gummi handschoenen en veel vat lijkt de schilder niet op zijn personage te hebben. Een mooie illustratie bij Rauch’s werkmethode, misschien staat het werk daarom ook op de affiche. We krijgen op de expo uiteindelijk 19 schilderijen te zien, waarvan er 13 gemaakt zijn in 2007. Alleen al daarom verdient Rauch het predicaat van superschilder, wie nog kan zoveel meesterwerken maken in één jaar? Alleen al fysiek is dat een prestatie, werken van vijf vierkante meter zijn bij hem eerder norm dan uitzondering. Mijn favoriete schilderij op de tentoonstelling is zelfs 12 vierkante meter groot. Het heet “Die Fuge” (foto) en lijkt een stel brandweerlui uit te beelden dat een vulkaan probeert te blussen. Hun pogingen zijn gedoemd om te mislukken, de spuitgasten staan veel te ver van de berg en zijn bovendien verwikkeld in een komische worsteling met de brandweerslang. Het landschap wordt opengereten door een enorme scheur waarin een geketende man en een gedekte tafel dreigen weg te zakken. Boven een gebouw (de brandweerkazerne?) zweeft een dansend koppel waarvan de vrouw zich in twee splitst. Bizar? Vreemd genoeg heb je helemaal niet dat gevoel als je voor het werk staat. Je geeft vanzelf een esthetische interpretatie aan het tafereel en door de aandacht voor compositie, kleur en vorm lijkt die nog te kloppen ook. Een ervaring die ik dikwijls ook bij andere schilders heb. Als ik bijvoorbeeld naar een christelijk of mythologisch tafereel van Rubens kijk, weet ik dikwijls ook niet waar het over gaat en toch vind ik het schilderij “mooi”. Geen noodzaak tot vertelling dus, tenzij misschien onbewust.
Op de expositie worden enkele opvallend defensief klinkende uitspraken van Rauch aangehaald. Daarbij gaat hij in op de kritiek dat de scènes op zijn schilderijen overbevolkt dreigen te geraken. Hij ziet daar de voorbode van een wending in zijn oeuvre. Die is het gevolg van een mentale dam waarachter zich alsmaar meer rommel verzamelt, een dam die vroeg of laat zal overlopen. Ik ben benieuwd, maar toch ook een beetje angstig. Hope to see your paintings again soon, Neo Rauch!
De expositie loopt nog tot 30 maart in het Max Ernst Museum in Brühl.






