Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Peter Wullen:
Over 'De autist en de postduif' van Rodaan Al Galidi
Over 'Stil Alarm' van Krijn Peter Hesselink
Over 'getande raadsels' van Patrick Conrad
Over Lies Van Gasse, Maarten van den Berg en Hanz Mirck
Over de oorlogscanon van Geert Buelens
Over 'Vlees mij!' van Stijn Vranken
HET ONVERMOGEN VAN STIJN VRANKEN
datum 11.02.2008
auteur Peter Wullen
rubriek Literatuur
Ik ben van oordeel dat een poëzierecensent zijn woorden moet kunnen wikken en wegen. Dichters zijn meer dan de rest van de kudde literatoren een bedreigde diersoort. Dichtkunst wordt alsmaar amechtiger in de marge van de kunst gedrumd. Debuten zijn schaars. Het zou dus niet zeker in mijn voordeel pleiten indien ik het debuut van Stijn Vranken zomaar tot spaanders zou hakken. Ik deed echt mijn best om hier poëzie in te herkennen. Een namiddagje in de lauwe lentezon bijvoorbeeld om alles nogmaals tot me te nemen. Helaas is er zeer weinig dat in zijn voordeel pleit. Ik had zin om dit artikel ‘Pamflet tegen Stijn Vranken’ te dopen, maar ik deed het niet. Toch, Stijn Vranken is hard op weg om de Pippi Langkous van de Vlaamse en Hollandse poëzie te worden. “Een vreugdje en een verdrietje hier en daar, niewaar, meneer… Dat is het wezen van de poëzie.
Ik heb een boude theorie ontwikkeld omtrent de bundel van Stijn Vranken. Dichters zijn verworden tot onwillige marketinginstrumenten van de grote uitgeverijen. Wat er in het uitgegeven boekje staat, is niet meer belangrijk. Dichters verkopen misschien niet zo goed, maar ze kunnen wel uitstekend dienen als verkapte promotiemachine voor de activiteiten van een uitgeverij. Zo worden dichters op de valreep nog wel eens nuttig en belangrijk! We hoeven ons nu niet meer te schamen voor nogmaals een dichtbundel op peperduur en schaars papier, die toch niet verkoopt, schijnen ze daar te denken. We kleden de bundel gewoon in en uit als reclameboodschap. Zo verkoopt hij wel, al staat er geen greintje poëzie in. Het onbenullige ’Vlees mij!’ straalt die attitude uit, van de titel tot de achterflap is dit de volstrekte domheid van een reclamebureau. Het weinige talent dat Vranken bezit, wordt zo bedolven onder een pak semiotische referenties, Noël Slangen waardig.

De titel alleen al. Kom nou met zo’n absurde platitude aanzetten. Het lijkt wel of Vranken een copywriter van het slechtste soort in dienst nam om zijn titel te verzinnen. Oh, let op, er staat niet eens ‘Lees mij!’… Neen, net niet... Er staat ‘Vlees mij!’. Ah,… Vranken staaft mijn theorie met sprankelend inzicht en een aandachttrekker van formaat voor zijn eigen ‘talent’. Handig toch, zo’n titel. Zet het boekje in een etalage en het verkoopt, alleen al op basis van een titel. ‘Vlees mij!’ in vleeskleurige letters en met een groot uitroepteken om zijn oproep nog wat kracht bij te zetten. Dit lijkt me de ultieme vorm van literaire zelfbevlekking en de lelijkste titel ooit voor een dichtbundel. Op de achterflap staat nog zo’n staaltje van zelfpromotie. Vranken wordt een combinatie genoemd van een podiumdichter en een stand-upcomedian. Beter was hij gewoon stand-upcomedian geworden. Dichter is hij alleszins niet.

En toch heeft Vranken een sprankeltje poëtisch talent. Ik geef het toe. Het poëtisch talent van de man in de straat. Dat blijkt voornamelijk uit de eerste cyclus van de bundel. ‘Histoire d’E.’ heet de gedichtensuite. Als ronkende ondertitel kreeg dit nog mee ‘u heeft mooie benen als u lacht’. De cyclus bestaat uit een vijftiental gedichten die bijna allemaal over de vleselijke liefde handelen en de ontgoochelingen die ermee gepaard gaan. Waarschijnlijk is deze cyclus de ultieme reden waarom er überhaupt ooit een dichtbundel van Stijn Vranken bij een grote uitgeverij kon verschijnen, omdat hier het kleine beetje poëtische vermogen van Vranken naar boven komt. Ik lees hier en daar zelfs een flard poëtische inspiratie en tussen de onzin door zelfs een echt gedicht, zowaar het titelgedicht.

Vlees mij – verklaar mij
de warme oorlog, het einde
mag weer eindeloos herbeginnen.

Hier zijn alvast bloemen – zeg me
welke naam zal ik straks vloeken
wanneer je bodem breekt
en mijn bleek gebeente week
doorheen je welgevormde
weerstand zakt?

Je bent een warm massagraf,
ik wentel me als duizenden dicht
aan je rand.

Open je grond!


Vranken heeft blijkbaar wat last van de liefde en van veel ontrouwe lieven. De vreselijke liefde vergelijken met een massagraf, is echt wel een mooi beeld. Maar daar blijft het grotendeels bij. Het is het enige goede beeld dat hij kon verzinnen voor een volledige bundel. Het lijkt of hij zijn reputatie alleen maar te danken heeft aan één enkel gedicht. Eén enkele volzin. One trick pony, denk ik dan… Elders weegt het allemaal veel te licht. Kijk eens naar het gedicht ‘Afscheid nr. 7’, dat weer eindigt met een platitude van jewelste.

Je was wie je was en dat was niet niks.
Maar ook niet veel meer dan dat.


Bij ‘Ongehuwd met voorbedachten rade’ haakte ik af. Ik veronderstel dat voor dit soort poëzieuitingen wel een publiek bestaat. ‘Want morgen/morgen gaan we dood’ schrijft Vranken in ‘Huwelijksaanzoek 1’ heel gevat. In ‘Huwelijksaanzoek 4’ las ik een krakkemikkige gemeenplaats: ‘Ik weet, het is niet alles/maar dit niets/draagt zo zwaar/alleen’. In ‘Sex zonder ex’ keert hij zijn ogen om tot projectoren en projecteert de lichamen van zijn ex-lieven ‘tot een loodzwaar/eenzaam orgie’ op het plafond. Nog zijn we niet uit ons lijden verlost. Het is ons een raadsel hoe Vranken erin slaagde om een cyclus als ‘Leven is dodelijk’ in het midden van zijn bundel te pushen. Daar kregen we onder meer het volgende vers in de maag gespietst uit een gedicht dat ‘Wees het zaad dat je bent’ als titel kreeg:

Het leven kleeft aan onze lichamen
als de wind aan de bomen.


Of:

Doodgaan is misschien niet zo erg,
het blijven wel.

Maar dit is erg! Een poëzierecensent bezwijkt onder zoveel nietszeggendheid. Met veel geroezemoes, uitvergrotingen en de elegantie van een nijlpaard wordt hier een bundel op de markt gekeild, die tot het slechtste behoort wat ik de laatste twintig jaar las. ‘Het is de hoogste tijd dat zijn gedichten in boekvorm verschijnen, zodat de betreffende bundel met allerhande prijzen kan worden overladen’, voorspelt Christophe Vekeman op de achterflap. Als self-fulfilling-prophecy is dit niet niks. De marketingpretentie straalt intussen al uit tot op de achterflap van het onding. Ik zou niet graag Christophe Vekeman zijn. Ik zou niet graag Stijn Vranken zijn. Dit is niks. Nitsjevo. Nada. Slechtste bundel ooit.



Stijn Vranken – ‘Vlees mij!’ - Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam 2008;
ISBN 978 90 8542 128 3.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie