Alias (Nico Sturm) zit vooraan op het eiland op een stoel, een rustpunt binnen de chaos. Hij vertelt tegen het publiek hoe hij op een dag de woorden niet meer gezegd kreeg. Stukje bij beetje verloor hij zijn spraakvermogen, iets dat hij in eerste instantie wist op te lossen door andere woorden in de plaats te gebruiken. Zo verving hij het voegwoordje ‘en’ door ‘plusteken’. Toen hij geen ‘moeder’ meer gezegd kreeg, gebruikte Alias ‘niet-vader’ en nu hij helemaal niet meer kan praten, spreekt hij met zijn grote broer (Stijn Van Opstal) een nieuwe taal die bestaat uit klanken en handgebaren. Soms gebruikt hij zijn draagbare bandrecorder, waarop hij enkele steekwoorden heeft opgenomen. En wanneer hij zich daar ook niet verstaanbaar mee kan maken, is er het krijt waarmee hij tekeningen maakt op de achtermuur. Deze muur bakent niet alleen de contouren van het huis af, maar doet door zijn glooiende vorm tegelijkertijd denken aan de landsgrens van het eiland.
Onder het niveau van de vertelling over Alias en zijn spraakproblemen bevindt zich een tweede verhaallaag die wordt aangestuurd door Alias’ broer. Het is een fantasiewereld waarbinnen geen grenzen lijken te bestaan. Daar zien we de broer nastuiteren van enthousiasme na zijn val in het muizenvallenveld, terwijl hij een verklaring geeft voor het zwijgen van Alias: zijn broertje heeft bij het tongdraaien zijn tong verrekt en nu kan hij niet meer praten. Hij heeft nog veel meer verklaringen en kan, als een ongeduldige kleuter, bijna niet wachten tot hij ze met het publiek kan delen. Grootse klungelige bewegingen verwijzen naar de inspiratiebron van de spelers, namelijk slapstick en stomme film. Behalve in de groteske speelstijl zijn er ook sporen terug te vinden in het gebruik van beeldmateriaal, zoals in de allerlaatste scène waar op een diascherm een trein in een ravijn stort. Deze onscherpe beelden uit de beginperiode van de film zijn zo gemonteerd dat de trein continu in en uit de afgrond rijdt. Het is een subtiel antwoord op de vraag waarom de jongens alleen thuis zijn en, nog belangrijker, waarom Alias niet spreekt. De ouders zaten in die trein, zo wordt gesuggereerd, en zijn verongelukt.
Tijdens de spraakwaterval van zijn broer wacht Alias ongeduldig op zijn vader en moeder. Op de achtermuur van het eiland heeft hij een trap getekend. De krijtlijnen blijken een bestaande uitsnijding te volgen wanneer Alias zijn tekening vastpakt en een echte trap uit de muur naar voren trekt. Op de bovenste trede staart hij uit het raam en het contrast valt op tussen het koppige zwijgen van de één en het bezwerende praten van de ander. De terugkeer van papa en mama zal waarschijnlijk nooit werkelijkheid zal worden. Dit is de meer realistische verklaring voor het zwijgen van Alias: hier sluimert het grote verdriet van een eenzaam kind dat moet leren omgaan met de veel te grote emotie van overleden ouders. Zelfs de dood wordt door de broer echter in een fantasiekader geplaatst. Aan de hand van een serie dia’s met tekeningen van Edward Gorey uit de horrorsprookjes van cineast Tim Burton vertelt hij over de vriendjes van Alias die, toevallig of niet, allemaal gestorven zijn door een vreselijk ongeluk. Wel zesentwintig vriendjes passeren de revue en de oplettende kijker merkt dat iedere naam met een andere letter uit ons alfabet begint. Voor wie de associatie met het ouderwetse rijmpje ‘de A staat voor …’ meekrijgt, is deze scène absoluut een van de hoogtepunten van de voorstelling.
Het contrast tussen de twee werelden die in Alias de wanprater worden opgeroepen, wordt het best geïllustreerd door de kostumering van hun vertegenwoordigers. Alias draagt een korte broek, witte blouse en zwarte das, onmiskenbaar een verwijzing naar de dagelijkse realiteit van veel schoolgaande jeugd. Zijn broer draagt echter een lange jas van aan elkaar genaaide stukken kleurige stof en heeft ondanks zijn jeugdige leeftijd een wilde baard. Hij lijkt weggelopen te zijn uit de fantasierijke werelden van de Britse jeugdauteur Roald Dahl. De twee personages schenken zelf niet veel aandacht aan het opmerkelijke verschil. Alias verbaast zich niet over het uiterlijk van zijn broer en het duurt dan ook even voordat je dat als toeschouwer wél doet. Maar langzaam bekruipt je toch de vraag wie deze broer, in veel dingen de tegenpool van Alias, is. Met zijn voortdurende stroom aan grapjes en verklaringen is hij niet alleen een spreekbuis voor de stomme Alias, hij probeert hem tegelijkertijd af te leiden van de werkelijkheid. Hierdoor groeit het inzicht dat hij als een alter ego over het welzijn van Alias waakt om de donkere werkelijkheid wat lichter verteerbaar te maken voor de kleine en eenzame jongen.
Op het krap behuisde eiland leven naast de twee broers ook drie muzikanten (Bert Huysentruyt, Toon Offeciers en Tim Vandenbergh). Ze zijn net zo vreemd uitgedost als de grote broer en horen daardoor duidelijk tot zijn kamp, of tot de verpersoonlijking van Alias’ fantasie. Opeengepakt tussen alle stoelen, kistjes, bandrecorders en muziekinstrumenten hebben zij een eigen plek van waaruit ze zorgen voor muzikale ondersteuning en geluidseffecten. Hun voortdurende aanwezigheid op het eiland wordt door de broers niet in vraag gesteld, ze zijn er simpelweg, ook al zitten ze soms in de weg. Door met de rug naar de zaal te zitten, is een keuze gemaakt om ze geen rol te geven in de vertelling over hoe Alias zijn spraak verloor. Slechts eenmaal wordt hiervan afgeweken om onduidelijke redenen, wanneer de drie plots figureren in een kleine scène. Het laat nog maar eens zien hoe lastig het is de functie van muzikanten op het toneel te definiëren; spelen ze mee, of zijn ze eerder een levend onderdeel van de technische entourage?
Het opvoeren van de broer als alter-ego in een fantasiewereld om zo de werkelijkheid meer draaglijk te maken voor de jonge Alias, is een mooie vondst. Op die manier hebben de makers een mogelijkheid gecreëerd om het publiek op een serie scènes te trakteren waarin fantasie en werkelijkheid continu door elkaar heen lopen. We worden meegenomen naar de wereld van kinderen die nog niet geleerd hebben hoofd- en bijzaken te onderscheiden. De twee acteurs doen niet voor elkaar onder, Van Opstal en Sturm zijn op elkaar ingespeeld, beschikken over goede timing en lijken elkaar steeds opnieuw uit te dagen. De voorstelling past ze als een goedzittende jas, wat begrijpelijk is aangezien zij elkaar kennen uit eerdere voorstellingen, zoals De gebroeders Leeuwenhart, ook gemaakt bij BRONKS. Bovendien hebben beiden ervaring met het werken als spelerscollectief, meestal zonder regisseur aan het hoofd van een repetitieproces. Zo maakt Stijn Van Opstal deel uit van de artistieke kern van Olympique Dramatique, Nico Sturm is verbonden aan De Koe. Ook in Alias de Wanprater zijn de twee acteurs tevens de makers van de voorstelling.
Door de voortdurende opeenstapeling van mooie vondsten, waarschijnlijk met veel plezier gevonden tijdens het repetitieproces maar vervolgens te weinig gecensureerd, gaat er iets mis binnen de opbouw van het geheel. De zijlijntjes in het verhaal zijn te talrijk, waardoor het lastig is om de hoofdverhaallijn te blijven volgen. Beloofden de introducerende scènes niet een verhaal over Alias en hoe hij zijn spraak verloor? Uiteraard, en het antwoord op die vraag wordt ook gegeven wanneer in de laatste scène blijkt dat de beide ouders gestorven zijn. Maar door deze plotselinge harde en confronterende realistische verklaring op het einde blijkt Alias de wanprater vooral een voorstelling te zijn over de dood en hoe je daar als kind mee moet leren omgaan. Deze schakel is groot voor de nietsvermoedende toeschouwer die dacht te kijken naar een knotsgekke vertelling over een jongetje met een verrekte tong en diens broer met een rijke fantasie. En zo lijkt het alsof de makers hebben ervaren wat ook het personage Alias ervaart, namelijk dat het soms makkelijker en leuker is om je te verliezen in de oneindige wereld van de fantasie dan om je staande te houden in de werkelijkheid. Door de afwezigheid van een heldere structuur gaat er een mooie en emotionele verhaallijn verloren. En dat is een spijtig gemis in deze wervelstorm van theatraal plezier.







