Voor Fennesz begon het allemaal ergens begin jaren negentig bij het Weense avant-gardelabel Mego van zijn stadsgenoten Ramon Bauer en Peter Rehberg alias Pita. De techno vierde hoogtij, maar Bauer & Rehberg gooiden het als protest tegen de muzikale eenheidsworst over een andere boeg. Het label werd een platform voor experimentele, elektronische muziek en multimedia en bood een podium voor avant-gardeartiesten als Marcus Schmickler, Kevin Drumm, Tujiko Noriko, Hecker en Fennesz zelf natuurlijk. “Mego is intussen opgedoekt”, aldus Fennesz. “Ze hadden zware financiële problemen. Stichter Ramon Bauer hield er gewoon mee op. Peter zette het project verder en veranderde de naam in ‘Editions Mego’. Sindsdien werkt het wel en gaat het zelfs heel goed met het label. Ze brengen weer constant nieuw werk uit en rereleases van ouder werk. Zopas verscheen de nieuwe cd van KTL op Editions Mego.”
Toen ik Fennesz de laatste maal interviewde, enkele jaren geleden in de Gentse Vooruit, was hij heel enthousiast over zijn samenwerking met David Sylvian. Sylvian had hem gecontacteerd om mee te werken aan het nummer ‘Fire In The Forest’ op zijn toenmailige cd Blemish. De samenwerking oogstte heel wat lof. Als tegenprestatie zong Sylvian de vocalen in van het nummer 'Transit' op de cd Venice van Fennesz. “Ik ben opnieuw aan het opnemen voor David Sylvian in Londen”, aldus Fennesz. “Zijn nieuwe album wordt echt ongelooflijk. Het is een echt meesterwerk. Sylvian wil voorgoed af van zijn rechtlijnige imago van singer-songwriter. Hij was niet zo gelukkig met zijn laatste tournee. Zijn nieuwe werk is veel beter. Er werken radicale en experimentele jazzmuzikanten mee als Evan Parker, Burkhard Stangl en Keith Rowe. Het wordt echt een heel goede cd.”
Het is alweer zo’n drie jaar geleden dat Fennesz zelf nog eens een solo-cd uitbracht. De albums Endless Summer uit 2001 en Venice uit 2004 katapulteerden hem meteen naar de voorgrond van de muzikale avant-garde. De door laptops opgehoeste sound van akoestische en elektronische gitaren maakte zelfs school. Vele epigonen probeerden het hem na te doen maar weinigen konden de gelaagde gitaarsound evenaren die Fennesz uit zijn schootcomputer toverde. Fennesz werd een veelgevraagde muzikant. “Ik bracht intussen reeds 2 cd’s uit met de Japanse muzikant Ryuichi Sakamoto”, legt hij uit. “We deden een tour door Japan. Ik leg momenteel de laatste hand aan een nieuwe cd, die zeker in 2008 zal uitkomen. Binnen twee weken verschijnt een 7” single, die tegelijk downloadbaar zal zijn en die ‘Transition’ zal heten. Ik wil mezelf niet herhalen. Ik wil origineel blijven. Ik wil weg van wat ik vroeger deed. Er staat zelfs een akoestische gitaartrack op de nieuwe cd. Ik luister veel naar hedendaagse klassieke muziek à la Morton Feldman. Dat heeft zeker ook zijn invloed. Er staat ook een gezongen track op van Mark Linkus en een Frans nummer van mijn vriendin.”
Geen tekort aan projecten voor Fennesz. Na samenwerkingen met David Sylvian, Mark Linkus van Sparklehorse en Sakamoto ging hij in het voorjaar op tournee met de voormalige Faith No More-frontman Mike Patton. Op het eerste zicht lijkt dat een vrij ongewone combinatie. Hoe kwam die samenwerking tot stand? “Ik bewonderde altijd al het werk van Patton”, legt Fennesz uit. “Hij is een buitengewone man. Hij bezit een heel open geest. Hij werkt echt met iedereen samen, zelfs met John Zorn. Hij vroeg me voor een optreden in Canada. Het project liep zo gesmeerd dat we meteen een volledige tournee uit de grond stampten. Patton werkte bovendien completely freeform en processte zijn vocalen met heel bizarre effecten. Really amazing! Er komt binnenkort een Patton-Fennesz cd uit op zijn eigen label Ipecac. Hij is echt een prachtige kerel. Hij houdt van lekker eten. Ik heb nog nooit zo goed gegeten als op deze tournee.”
Fennesz passeerde in Kortrijk in het kader van het 13-daagse kunstenfestival Budafest voor een uniek optreden met de New Yorkse multimedia-artiest Charles Atlas. We spraken hem enkele uren voor het optreden in de Budascoop. “We doen niet echt een tournee”, verklaart hij. “We treden gewoon op drie of vier plaatsen op. Dit is Charlie’s project. Negentig procent van de muziek is geïmproviseerd. Ik creëerde speciaal voor de performance sounds en samples. De kans op slagen hangt grotendeels af van het materiaal, dat we aangereikt krijgen. Een groot scherm en een goede PA zijn essentieel. Als er iets ontbreekt, dan zijn we gezien. Het is trouwens ons laatste optreden. Volgende week duik ik opnieuw de studio in. De deadline voor mijn nieuwe cd is vastgelegd op 15 februari. Daarna begin ik in april te werken aan een opdracht voor een strijkkwartet samen met de Japanse avant-gardemuzikant Otomo Yoshihide. Ik moet die muziek nog op papier uitschrijven… (zucht)”






