Als voorbereiding op Ivo Van Hove's bewerking keek ik nog eens naar de versie van Patrice Chéreau met Manfred Jung als de onuitstaanbare Siegfried. Ik kreeg het er niet warm van. Een ettertje eerste klas dat nooit rekening houdt met zijn medemensen en daarvoor (naar mijn mening) in het derde deel van de Ringcyclus nog voor beloond wordt. Ook de tenorpartijen zijn niet aan mij besteed. Ik ben een bas-baritontype. Combineer dit met de hoornpartij van Siegfried (waar hij zo zijn best doet om niet op zijn hoorn te blazen) en Fafner die op het podium gerold wordt (de draak is amper een karikatuur van zichzelf te noemen) en ik had zo het gevoel dat een nieuwe Siegfriedadaptatie zich opdrong.
De promotie kreeg in ieder geval de nodige aandacht. Terwijl in Antwerpen het proces van Hans Van Themsche in volle gang was, keek een koele Seung-Hui Cho (de Zuid-Koreaanse student die in april van dit jaar 32 studenten doodschoot op de Campus van Virginia Tech) de voorbijgangers aan van op posters voor de nieuwe Siegfried-productie. Kunst die een geweten wil schoppen of wil provoceren om te provoceren? De storm van protest ging liggen.

Het is 25 november 2007. Locatie: Gent. Uur: 15.00u
De scène hightech noemen is een understatement. Overal computers en randapparatuur. Rechts een keuken waar de computernerds Mime en Siegfried eten klaarmaken als de honger begint te knagen. Aan de andere kant een microgolfoven om de laatste restjes pizza op te warmen. Siegfried (tenor Lance Ryan) heeft het gewoon. Hij is een etter die je vanaf het eerste moment op de bek wil slaan. Geen respect voor mens noch machine. Meer dan eens worden attributen over het podium gesmeten. Eenmaal, goed, tweemaal, och ja, maar als na een tiende keer weer eens een steen of scherm door de lucht vliegt, dan houd ik het wel voor bekeken. Nadruk leggen op zinloos geweld mag, overkill gaat vervelen. De monsterrol van Siegfried mag dan wel weer bewondering oogsten. Bijna vier uur op de bühne staan zie ik mezelf niet doen, maar de stem van Ryan … er scheelt iets aan. Ik ben geen muziekkenner, maar ik weet wel waar ik het warm van krijg. Deze stem deed me niets. Een perfect zingende computer die prachtig past in de omgeving, maar meer niet. Mime (tenor Peter Bronder) daarentegen was voor mij de ster van de avond. Steeds weer moet hij zich de stemmingen van Siegfried laten welgevallen, de vernederingen slikken en mishandelingen ondergaan. In tegenstelling tot de bewerking van Chéreau laat Van Hove Mime veel meer tot leven komen. Hier is het een man die lijdt onder de vernederingen, bij Chéreau is het een wezen dat ruggengraatloos door het leven kruipt. Ook de vraagscène tussen Mime en Wotan (een heel wisselvallige James Johnson) leverde een verbaal stukje zanggeweld op. Ondertussen flikkeren op het podium de schermen. Mime werkt op een computer in een windowsomgeving. De meestersmid (programmeur) slaagt er niet in om het gebroken zwaard Nothung te hersmeden. Als het Siegfried wel lukt, en als dit toevallig op een Mac gebeurt, kan ik amper een glimlach onderdrukken. Daar hou ik van. Die knipogen. Nothung is niet langer een zwaard, maar een RFID. Radio Frequency Identification Device is een techniek die het mogelijk maakt om iemand/iets overal te volgen. Big Brother komt steeds dichter. Dat deze RFID het dodende zwaard vervangt, zegt ook iets over de ondertoon van de moderne techniek op de mensheid. Als Siegfried op het einde van het eerste bedrijf vertrekt, vernietigt hij zijn en Mimes werkplaats. No way back.
De broodjes en de wijn tijdens de pauzes zijn een welkome verpozing. Rondom mij wordt er getelefoneerd en vingers ratelen tekstberichtjes op de gsm. De technologie van de opera wordt een verlengstuk in de pauze.
In het tweede bedrijf is de vernieling van de technologie (of moet ik zeggen DOOR de technologie) ingezet. Nog steeds vliegen schermen en keyboards door de lucht, maar ik erger me er niet meer aan. De confrontatie tussen Wotan en Alberich (Werner van Mechelen) brengt niet het verwachte vuur. Twee stemmen die de confrontatie aangaan zonder ooit echt in duel te treden. De draak Fafner is in de regie van Van Hove een kale kolos met een ringbaardje (bas James Moellenhof) die niet slecht zou staan als buitenwipper in het beruchte Gentse glazen straatje. Hoe Siegfried met zijn RFID Fafner aan zijn einde helpt is op zijn minst explosief te noemen, al blijft het fenomeen van een killer hand overdreven. Als verfrissende revelatie in het tweede bedrijf krijgt de invallende sopraan Insun Min een tien op tien. Verborgen in een oversized sweater waarschuwt ze, als Woudvogel, Siegfried voor de snode plannen van Mime. Op dit moment van de opera wist ik niet meer of ik stiekem moest hopen dat Mime er toch in zou slagen om Siegfried van kant te maken. Och ja, er vlogen weer computers en stenen rond. Mime krijgt een overdosis killer hand te verwerken en het Koreaanse nachtegaaltje Min brengt Siegfried op de hoogte van de bruid in de vuurcirkel.
Pauze. Tijd voor een broodje en een glaasje wijn. Ik zie een aantal bekende gezichten tijdens de pauze. Ik ken ze wel, maar zij mij niet. Bekende politica, bekende Gentse. Ik heb er ondertussen drie uur Wagner opzitten. Het wordt zwaar.
Vooral omdat het laatste bedrijf me minder aanspreekt. Ik ben niet te vinden voor die liefdeszangen die twintig minuten duren. Ook de confrontatie tussen Erda en Wotan mag voor mij geschrapt worden. In een totaal vernielde omgeving slaapt Erda (mezzosopraan Elzbieta Ardam) haar wijsheidsdroom. Ze wordt daarin brutaal gewekt door Wotan, die er ondertussen uitziet alsof hij net uit de instortende Twin Towers ontsnapt is. Als het duet tussen Alberich en Wotan al een beetje naast elkaar liep, dan was zeker deze samenzang zo koel dat er niets meer overbleef tussen de ex-geliefden. De confrontatie tussen Siegfried en Wotan vond ik bij momenten zelf komisch. Als Siegfried op een gegeven moment zingt waarom deze vreemdeling zijn gezicht verbergt achter een hoed en Wotan helemaal geen hoofddeksel op heeft, dan glijdt het geheel een beetje af naar een opera buffo. De kracht van de confrontatie gaat verloren door details die gemakkelijk opgelost konden worden. Als de hoogmoedige Wotan bekent dat zijn speer Nothung al eens eerder vernietigd heeft, beseft de rebelse Siegfried dat de moordenaar van zijn vader voor zijn neus staat. Wotan delft in de confrontatie het onderspit: de val van de goden is nabij.
Qua technisch effect kon de vuurring die Brünnhilde moeten beschermen tegen indringers, tellen. Groen stroboscooplicht schittert op de bühne. Moest ik enkele kilometers verder zijn, ik zou zweren dat ik in een of andere megadiscotheek was. Brünnhilde (een licht verkouden Jayne Casselman) wordt wakker gekust door Siegfried. Deze laatste leert zo angst kennen en roept op zijn overleden moeder. Wat volgt is een liefdeszang tussen de twee geliefden die op dat moment te lang duurt. We zijn bijna vijf uur verder. De Gentse opera is warm. De vermoeidheid treedt in. De liefdeswoorden gaan aan mij voorbij.
Rondom mij zie ik mensen vertrekken als de laatste noten weerklinken. Ik blijf nog even kijken. Ik wil zien wie het meeste applaus oogst. Mime wint het met voorsprong. Het applaus bij de prestaties van Siegfried klasseer ik onder beleefd. Een mooie vocale prestatie maar weinig persoonlijkheid. Het regende een beetje toen ik de Vlaamse Opera verliet. Na De Walküre was ik stil, onder de indruk. Na Siegfried was ik stil, moe en lichtjes teleurgesteld.






