Voor de goede verstaander: de komma staat er niet toevallig. Ik, en andere gedichten heet de bundel. De eerste cyclus wordt door het leesteken afgescheiden van de rest. Onvermijdelijk roept de poëzie van Spinoy vragen op over de flinterdunne grens tussen leven en dood. Wat is het ‘ik’ tijdens zijn laatste momenten? Ik denk aan Metcalfe en trawanten, die op de resten stuiten van wat ooit een menselijk wezen was. Tot het dierlijke bewustzijn veroordeeld, leeft het nog maar net. Het spuwt bloed en het stoot huiveringwekkende klanken uit. Zijn ledematen hangen er bebloed, gebroken en nutteloos bij. Uit zijn buikholte puilen ingewanden. Het hart klopt razend enkele seconden voor het voorgoed stopt. Er komen ambulanciers en dokters aan te pas. Het nog levende ding wordt ijlings aan een infuus weggevoerd, maar de stervende vleesmassa is niet meer te redden. Over dit niemandsland tussen ‘zijn’ en ‘niet zijn’ heeft Spinoy het. Hij gaat er onverschrokken op in. Het ik als ding in zijn finale momenten. Met zijn meesterlijke pen als dokterslancet ontleedt hij het menselijk lichaam, bijna dood of half dood of al een hele tijd dood.
Heet en klam – een ijzeren
dictaat van
het plaatselijk klimaat.
Rond de middag zitten
eitjes, baby’s
duizendvoudig
in de monsterlijk gezwollen
ogen, neus en mond.
Onder maan- en halogeenlicht
lijken lippen druivenzwart
te tuiten zich voor dit
hun allerlaatste
luchtzoen.
Dit zijn niet echt gedichten die je voor je esthetisch genoegen tot je neemt. Spinoy onthutst de sadomasochistische lezer/es en legt hier huiveringwekkende dingen bloot. Hij verlegt de grenzen van de taal. De sfeer van het filmische gedicht 'Er is een plek ' deed me sterk denken aan de slotscène van de cultprent 'Son de Mar' van de Spaanse cineast Bigas Luna. De twee drenkelingen, de geliefden Ulysses en Martina, liggen stikdood en poedelnaakt en in vogelperspectief uitgestrekt op de stalen bedden van een mortuarium. Spannende minuten lang gebeurt er niks terwijl een offscreen stem commentaar geeft. Tot ze zich plots langzaam naar elkaar toekeren. In de dood verenigd omhelzen ze elkaar. De regisseur plaatst een levensgroot vraagteken achter alles wat voordien gebeurde. Ook de cyclus 'Ik' eindigt in die volstrekte onwetendheid. Het is een sterk einde dat de taal in al zijn glorieuze monsterlijkheid doet opblinken als de roestvrijstalen bedden van het dodenhuis waarover hier sprake is.
Op deze plek
waar het donkere lijf
op zijn roestvrijstalen
bed ligt uitgestrekt
in neonlicht
zijn vale
koloriet vertoont
doet zich
het dagelijks wonder voor:
iets gloort zoals
een aureool om dit karkas
het ijzeren blad glimt
als een altaar
in verrukte ogen.
wat mijn doel is ook
en waar ik zoek
het is er niet.
De mens Erik Spinoy ken ik persoonlijk als een ietwat afstandelijke en koele observator. Als hoogleraar aan de Luikse universiteit en als postmodernistische superintellectueel, lijkt hij zich nauwelijks in te laten met de gewone dingen des levens. Een volstrekt gebrek aan ironie maakte zijn vorige dichtbundel L nagenoeg onverteerbaar. Sterke en doorwrochte gedichten, dat wel, maar geen spoor van een ‘ik’ of een innerlijk of persoonlijk leven. Dat masker valt af wanneer je hem toevallig op straat ontmoet aan de hand van zijn dochtertje, wanneer hij haar naar de dansles brengt. De persoon Spinoy leeft afgesloten en goed afgeschermd in de tuin en het geboortehuis van de volksschrijver Stijn Streuvels. In Ik, en andere gedichten sijpelen hier weer echo’s van door. Het ‘ik’ krijgt plots weer een prominente plek in deze bundel. Het dochtertje Eva bijvoorbeeld is sterk aanwezig met haar tekeningen en kleine dichtexperimenten. In de cycli 'Beeld en gelijkenis', 'In een lus' en 'Alles nieuw' wordt volop geflirt en geëxperimenteerd met verschillende lettertypes en layouts. Beide reeksen gedichten vangen aan met een citaat uit het Oude Testament en het thema van sommige gedichten is bijna bijbels te noemen.
Hoe ik haar – waarom?
Omdat het haar
aan allerlei
ontbreekt.
Omdat haar vlees
de wonden draagt
van u en mij.
van ieder mensenkind
ons allen samenbindt
uit deze kleien massa
iets boetseert dat
mooi schijnt
en bemind
en dat bemint.
Ik, en andere gedichten vormt een lus. Met de cyclus 'Cordyceps' eindigt de dichtbundel immers waar hij begon: met extreme verrotting, verderf en verval. Cordyceps is een species van tropische zwammen die op insecten parasiteren. De schimmels kennen duizenden soorten. Ze zetten zich vooral vast op insecten en geleedpotigen. De taal wordt hier opnieuw zwaar uitgerekt en op de proef gesteld. Opvallend is echter dat de twijfel weer de bovenhand haalt. De cordyceps wordt zo een krachtig symbool voor wat in ieder mens – hier de dichter en de schrijver – woekert, maar wat hij niet kent. Hij weet uiteindelijk niet welke levensvreemde vormen hij in zich draagt. Hij kent zichzelf finaal niet.
Niet slecht voor hem
of voor zijn soort:
in bijna elke species
ontbloeit
de eigen cordyceps-
in bladeren die op wandel gaan
in kakkerlakken de libel mantis
in deze bladluis alle mieren
en in atta cephalotus
neurothemus fluctuans
wie weet ook in die schat
van een cyrinus natans.
In onvemoede holten
van zijn lijf
herbergt elkeen
zijn eigen parasiet
en weet het niet
Erik Spinoy – ‘Ik, en andere gedichten’, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam 2007; 80 blz.; ISBN 978 90 8542 115 .3






