Meest recente artikels:
Het fotowerk van Kurt Van der Elst
Interview Karel Vanhaesebrouck
Meer artikels van Gunther De Wit:
MARS speelt 'Sunday Smile'
Over 'De Versie Claus' van Het Toneelhuis
Over Zand erover!? van Victoria Deluxe
ALLERSTIELEN
datum 12.11.2007
rubriek Literatuur
Zelfs als u niet gezwind (want via Urbanmag) door de glazen deuren van deSingel of voorbij de buitenwippers van Petrol bent geraakt, zelfs dàn was het uw opdracht als cultuurminnend herfstnostalgicus om eens binnen te lopen bij De Avonden, de nieuwe boreling van de bedenkers van De Nachten en Zwarte Zondag. Dat het ongeveer een kruising van die twee is gebleken, even intiem en verzuild als het tweede maar iets minder hip dan het eerste, mag geen toeval heten. Waarom een succesformule wijzigen? Over het algemeen was 2007, om het met de jury van de AKO-literatuurprijs te zeggen, ‘een zeer goed jaar’, en daar rekenen we dus ook de oogst van het najaar bij. Overigens had ook de gemiddelde Frank Sinatra-imitator niet op de affiche misstaan, als u de vergezochte knipoog begrijpt.

Een Dunne Komrij is er twee waard


1 november. Een van de uitverkoren Avonden, want alles bij elkaar betreft het hier een vierdaags festival. Als afsluiter was er een naar het schijnt goed op dreef zijnde Marc Moulin en een door Studio Brussel gesponsord feestje in Petrol. Ook op de Halloween-openingsavond bleek er nog tal van lekkers, dat door praktische besognes spijtig genoeg onbijgewoond bleef. Maar kom, we gaan het nu niet hebben over de gemiste kans om het naar ‘Belle en het beest’ neigende gelegenheidsduo La Fille d’O en Stijn Meuris aan het werk te zien. We gaan het echter wel hebben over de onvermijdbare Gerrit Komrij, die het aan zijn functie van pleitbezorger van de poëzie verplicht is partij te geven op dergelijke hoogmissen.
    Hoezeer we Komrij’s alliantie met de Portugese fado ook gemist hebben – een combinatie die laat watertanden –, van zijn nieuwe voorstelling ‘De Dunne Komrij’ wilden we alles gezien hebben. En welke andere datum dan 1 november had Komrij beter kunnen kiezen om zijn kersverse macabere boodschap ‘Lang leve de dood!’ te verkondigen? De titel mag behoorlijk representatief heten voor de verwachtingen die hij oproept. De hogepriester met de priesterstem had enkele gelijkgestemde zielen zoals Ruth Joos, Marcel Vanthilt (die toevallig vrij was?) en cellist Roel Dieltiens meegenomen om op sfeervolle wijze (kaarsjes, cello dus) te laveren, en soms te badineren, tussen geladen ernst, grote gelatenheid en ook oprecht verdriet om zoveel dood. Maar Komrij zou Komrij niet zijn mocht hij niet de nodige galgenhumor laten binnensijpelen in de keuze van de gedichten die door allevier de aanwezigen werden voorgelezen. Zo werd de dood op regelmatige basis vierkant in het gezicht uitgelachen, of doodleuk voor de zot gehouden. Komrij, op zijn zitbank gezeten, brengt op zijn dode gemak het gedicht ‘Crematorium’ van Anton Korteweg. De grijns na de slotregel ‘mij heeft hij nog even niet’ laat hij over aan het publiek. Nochtans is ervoor weinig reden tot plezier. Bij aanvang moet de toeschouwer een betweterig projectiescherm verduren dat hem uitlegt wat poëzie precies is, waarna Ruth Joos en Komrij zelf dit analytische lesmoment, dat ironisch bedoeld is doch slechts op de zenuwen werkt, nog eens dik komen overdoen a.h.v. het zestiende-eeuwse ‘Aen mijn sterfdagh’ van de illustere Jeremias de Decker. Gelukkig komt dan Marcel Vanthilt tevoorschijn wanneer je hem nodig hebt, om zonder franjes het ijs te breken; het gedicht ‘Dood’ van Eddy van Vliet is daar ronduit geschikt voor, en kan ook buiten het seizoen om in de eerste wei rechts bewonderd worden te Watou.
    Geluk duurt echter niet lang: door de sprekers wordt nadien E. du Perrons tergend lange gedicht ‘Gebed bij de harde dood’ integraal voorgelezen. Gaap, want het is moeilijk je aandacht bij elegieën te houden die zo lang lijken te duren als het leven zelve, en dat met een drietal dat niet op elkaar afgestemd lijkt, of toch nog dient op te warmen – ijs gebroken of niet. Maar: volgende! Van dan af is het hek namelijk van de dam en passeert eerst een uitbundige selectie van dijenkletsers van gedichten over de dood – Deelder, Boon, Van Nijlen, Claus en Komrij zelf. Tijdens een sobere decorverandering, wanneer de kaarsen worden aangestoken die het thema moeten en zullen onderstrepen, weerklinkt een lied van Boudewijn de Groot. Groot is ook onze verbazing als wij achteraf ontdekken dat deze ‘Kinderballade’ op tekst gezet is door niemand minder dan de ceremoniemeester zelve. Hoed af. Daarna volgt een afsteken van tristesse, en krijgen we o.m. Kouwenaar, Gerhardt, nog eens Komrij en Lodeizen op ons bord – niet dat wij élk gedicht herkennen, we lezen het maar af van de setlist die ieder na afloop ontvangt. Om sfeervol te verbranden in de open haard met een goede bundel op de schoot.
    Het hoogtepunt moet dan nog komen. Komrij en co. trekken een blik klassiekers open. De bloemlezer par excellence kent zijn pappenheimers, en begint met de reeks met wat ook algemeen als het startschot geldt van de Nederlandse literatuur: het Egidiuslied. Tot voor deze avond gekend om zijn feitelijkheid, zonder echt te beroeren; in Komrij’s versie wordt dit een treurmars om het koud van te krijgen. Klagerig beeft hij de regels (vooral dan bij de voorlaatste, resp. laatste lettergreep): ‘Egidius, waar bestu bleven? / Mi lanct na di, gheselle min / Du coos die dood du lietst mi tleven.’ Waarvoor een thema-avond al niet goed kan zijn. We hebben het allemaal nog niet goed verwerkt of daar wordt al ‘Insomnia’ van J.C. Bloem op ons afgeschoten, gevolgd door Guido Gezelle, Hugo Claus’ snoeiharde relaas ‘Broer’ en tot slot ook nog Jean Pierre Rawies bekende ‘Sterfbed’ en Gerrit Achterberg.
    Tot slot? Mooi niet. Een ronduit bezwerend einde valt ons tegemoet, in de vorm van Remco Camperts ‘Lamento’ dat door alle aanwezigen, cellist en u in gedachten incluis, meerstemmig wordt meegezongen, een gedicht zonder einde, zoals alle gedichten zouden moeten zijn, zoals het leven hoort te zijn.



Allerstielen

De Nacht van 1 op 2 november. Tijd voor de buitenwippers. Petrol heeft het binnen gezellig gemaakt, met zachte roze zetels en harde designstoelen, met lampedaires uit grootmoeders tijd, en een diversiteit in de programmatie waar je hetzelfde over kan zeggen.
    De deuren zijn nog niet goed opengegooid of ene Tom Hodgkinson, een notoire mafketel uit Engeland, bestijgt het podium. Na een korte kennismaking met zijn voor de gelegenheid ongetwijfeld nog aangedikte sisklank (denk ‘Biggus Dickus’ uit Monty Python’s The Life of Brian) doet hij iets heel onnozel op een ukelele, tot groot vermaak van velen. Onschuldig amusement, ja, maar wat hij daarna doet kan geen enkel moment onder diezelfde noemer doorgaan. Op een manier dat het weer vanzelf grappig wordt: op Kaufmaniaanse wijze steekt hij een betoog af over de socio-historische ontwikkeling van de steden in Europa. Hodgkinson maakt zich niet bepaald populair: als een droge geschiedenisleraar oreert hij in het ijle, praat hij tegen de schoon aangeklede ruimte alsof er geen publiek zit. Een soort karma coma maakt zich gewaar in de Petrol: geeneen kan het nog wat schelen wat er op het podium gaande is, en Hodgkinson nog het minst. De dag erna, op 2 november, weet hij zich versterkt door opperclown Jan Bucquoy, een duo dat de zaal met de beste wil ter wereld maar niet kan warm maken voor hun opgewarmde anarchistische ideeën – zoals: het publiekelijk verloten van een kapotte tuinschommel. Krijgt Bucquoy geen subsidies meer bijeen dat hij, gestampte boer uit Harelbeke, van zijn koningsdrama’s zijn beroep heeft gemaakt? We hebben het maar niet gevraagd. Wat er ook van zij: deze Hodgkinson heeft toekomst, als hij in zijn act meer diepgang en variëteit weet te leggen. Als hij dan toch overdrijft mag hij gerust dóór-overdrijven. Of hij kan nog altijd ‘Het beleg van Laken’ integraal voorlezen, als hij Bucquoy maar thuislaat.

   
Er is genoeg te doen op de Petrolse Avonden, maar op de schaarse dode momenten – ook als Vitalski even niet staat te presenteren, of staat te proberen – kan je nog altijd terecht bij de krolse doch niet zo gelukkig gecaste kapsters van Mieke Maaikes Obscene Kapsalon. Daar worden we te zitten gezet onder zo’n gigantische haardroger annex alienhoofddeksel, en met een pint in de hand en een Mieke Maaike-verhaal in de koptelefoon zit je daar best wel goed. Spijtig alleen dat je na één verhaaltje, voorgelezen door o.a. een fantastische Ann Miller en Tom Van Dyck, meteen buitengekeken wordt. Een mens wil nu eenmaal altijd meer. Misschien moeten we het Mieke Maaike-luisterboek, omgezet naar een iets Vlaamser register dan dat van in het boek, maar vragen voor onder de kerstboom. Rode oortjes zijn toch al schering en inslag rond die periode.
    Dez Mona-zanger Gregory Frateur beschikt dan weer over een schetterende stem, en dat is zeker niet kwaad bedoeld. Wat komt hij hier vanavond doen? Blijkbaar zijn hij en contrabassist Nicolas Rombouts op het idee gekomen aan bondage te gaan doen met andere disciplines en daarvoor ben je altijd aan het goede adres bij Saskia de Coster. Het resultaat laat zich dan ook ‘Saskia de Coster versus Dez Mona Duo’ dopen, en bevindt zich helemaal op dezelfde lijn van dat werkwoord. Het trio heeft zich uitgedost in sektaire gewaden en terwijl Gregory zijn eigen Gregoriaanse zangen de hemel instuurt, dan weer mildert en afdaalt, blijft Saskia op haar eigen, bewust monotone golflengte, dat alles vergezeld van een donker, smerig en virtuoos contrabasgeluid. Een mooi antwoord op de hoe-vraag, maar wat is er inhoudelijk allemaal aan de hand? Niemand die het weet. De Coster leest een tekst voor die zich wel eeuwig lijkt te herhalen, robotliteratuur in een loop, maar toch gericht aan het publiek. De adressering die het ‘U’-perspectief in de tekst voortbrengt staat echter in schril contrast met des schrijfsters opstelling, nl. met de rug naar het publiek. Handig als je het koude karakter van de tekst – die zich in een kamer in een niemandsland afspeelt, in alle anonimiteit: voilà de korte samenvatting – wil benadrukken en tegelijk de mythevorming rond je persoon én rond dit optreden in de hand wil werken. Dit optreden speelt zich af op eenzame hoogten, en dan heb ik het niet eens over de kwaliteit, hoewel die dik in orde is; ik heb het over de stijloefening an sich. Unisex maar toch niet aseksueel; neigend naar obscurantisme en decadentisme maar dan van de goede soort; gotische zingeving gemikt op de zintuigen. Een modern ‘Requiem’, schiet me te binnen, maar dat is wellicht teveel van het goede. Feit is dat deze passage het thema van vanavond (Komrij’s ‘Lang leve de dood!’) het dichtste benadert door het minste te zeggen. Moge dit initiatief vooral niet rusten in vrede.


In ‘Drop dead!’ heeft (pdw) van Humo (en ook wel van de ‘Spike’-trilogie en ‘Comedy Cup Casino’) enkele bevriende standuppers uitgenodigd en maar goed ook, want zelf bakt hij er in zijn aankondigingen niet veel van. Cultuurshocks komen wel vaker voor bij Gentenaren die de grote stap naar ‘het Stad’ zetten, ofwel is het publiek op dat moment nog murw geslagen door het voorgaande optreden, dat bezwaarlijk een ‘opwarmer’ kan genoemd worden voor het ongein dat men hier belooft. Wat dat ongein betreft: vooral Gunter Lamoot knalt de ene giller na de andere af op het podium, gaande van flauwe woordspelingen (‘een schizofreen die denkt dat hij een voetbalclub is pleegt elfmoord’) en blasé houdingen over de ongeschiktheid van het thema om er grappen over te maken, tot rake observaties over het oeuvre van Antwerps schrijver par excellence, Willem Elsschot. Denk aan een Elsschot die schrijft in turbotaal en in een setting die recht uit Hemingway komt, nijlpaarden incluis.
    Deze Avond zou er algauw opzitten. Een geslaagde avond bovendien, volgens een vooroorlogs recept, dat haast naar variété ruikt. Een beetje klef af en toe, ja, en sommige acts brengen écht te weinig meerwaarde en dienen veeleer als los zand of als lepeltje suiiker (in het geval van tweederde van de comedy-acts, bijvoorbeeld). Het leuke aan dit variété-concept is echter dat je net op die momenten een pintje gaat halen of van de weeromstuit nog eens een bezoek kan brengen aan Mieke Maaike. Een volleerde zuurstok die dan nog klaagt, natuurlijk. Want kijk, het volgende luikje is er al! We gaan zitten en krijgen nog een rockchansonconcert van een septet onder leiding van Rudy Trouvé (‘met plastron’, aldus Vitalski) en dan mag Marcel Vanthilt, die alweer niets om handen lijkt te hebben, plaatjes draaien uit een ver verleden. Hij moet vooral denken: wat gaat de jeugd zo vroeg naar huis tegenwoordig? Dat hij gelijk heeft, ontkennen wij niet, en ook wij zijn lichtelijk teleurgesteld in het gemiddelde uithoudingsvermogen van de jonge culturo. In het beste geval kan die nog als verzachtende omstandigheid inroepen dat hij vroeg uit de veren moet, om bijvoorbeeld de nieuwe van Brouwers of van pakweg Grunberg te lezen (hoewel niet zó nieuw in diens geval), of om, we zeggen maar wat, ‘On te road’ te herlezen, dat zoals bekend Altijd Nieuw is en zal zijn.


Alle wegen leiden naar Grunberg


Of je er ook kortademig van wordt (zoals Brouwers), of bijvoorbeeld kan rekenen op horden groupies plus Friedl Lesage (Grunberg), weet ik niet; vast staat dat ‘On the road’ op muziek gezet kan worden door Admiral Freebee, de vertegenwoordiger van Jack Kerouac op aarde-ter-hoogte-van-de-Noorderlaan. Wat kunnen we daarover vertellen? Dat hij zijn artiestennaam uit het boek heeft gehaald? Dat wist u vast en zeker al. De Admiraal oreert als een gek, want ‘that night we decided to get mad again’, en op de tonen van een contrabas buldert hij het relaas af van die nacht in de jazzcluberooni zoals beschreven in het boek. In authentiek Amerikaans doorspekt met plat Brasschaats. Met evenveel bravoure neemt hij plaats achter de piano, waar hij het openingsnummer uit zijn debuutalbum nog eens ten gehore brengt, naadloos overgaand vanuit een andere, ongetwijfeld relevante compositie in een nieuwe verbale tirade. Eén ding hebben we vanavond geleerd: Admiral Freebee kan een stukske performen!
    Je zou bijna vergeten dat ook Jeroen Brouwers en Arnon Grunberg op de affiche staan. Hoewel nee, want laat ons eerlijk zijn, daarvoor is de Rode Zaal tenslotte toch volgelopen.
Niet dat het Brouwers veel kan schelen. Het moet zijn dat zijn ego soms in zijn plaats piept, want Brouwers beantwoordt Johan Vandenbrouckes vragen soms alsof hij aan ons allemaal de stinkende pesthekel heeft en in dit stadium wil dat hij nooit een boek geschreven had. Vandenbrouckes vragen zijn echter niet de beste en zoeken soms de verwenste methode van de close-reading op, dus we begrijpen de arme prijsweigeraar wel een beetje. Het is al erg genoeg om steeds weer op ‘de’ kwestie terug te moeten komen. Ach, we zullen Brouwers’ boek lezen en dan beoordelen, eventueel, want er is geen haast bij: ‘Datumloze dagen’.
    Zo min als je iets zinnigs over een optreden van Brouwers kan zeggen, des te meer is dit het geval bij Grunberg. Als je niet weet dat die laatste een spitant talent is die boeken schrijft die er nooit naast zijn, zou je kunnen beweren dat het gaat om een fenomeen, een ex-deelnemer van Big Brother voor intellectuelen, dat teert op zijn fenomeen-zijn en zich in een waas van mysterie hult, de hele wereld rond. Een onnavolgbaar gegeven. Het is vooral dàt wat Grunberg die avond, eerst bij monde van boekbezorger Mark Schaevers, dan zelf, wenst te benadrukken: de voorbereiding van zijn verdwijning, de enscenering van het gepraktiseerde nihilisme. We weten dat als Grunberg iets voorbereidt, het er ook daadwerkelijk van komt: een week later zal hij in De Morgen concreet aankondigen wat hij deze Avond in niet zoveel woorden uit de doeken doet. De grote verdwijningstruc waarmee hij nog meer boeken zal verkopen, nog meer prijzen zal winnen, nog meer aanwezig zal zijn. Het zij hem gegund, en het is dit soort van showelement dat de literatuur de extra glans en smaak geeft die het verdiend, maar vanavond is hij even mens en tastbaar. Hij is goed geluimd, maakt grapjes met Friedl Lesage, oefent een tic uit met het glas water (is zenuwachtig). Leest vervolgens de hilarische column voor – hier nog een première, ondertussen in Humo verschenen – gericht aan de eveneens aanwezige Brouwers, naar aanleiding van de Hetze der Prijs der Nederlandse Letteren. Goed gebracht en ook daadwerkelijk grappig, deze lezing van de rasperformer die doorgaans op zijn best is door helemaal níet te performen. Met de column verlucht Grunberg het programma en gunt hij het publiek die welverdiende collectieve lachopstoot waar het al een tijdje naar zat te snakken zonder het te beseffen. De beschrijvingen van een Brouwers die elke maand 50 euro ontvangt van Grunberg ‘opdat hij het niet koud zou hebben in de winter’, die door die steun in zijn ‘bordeaux-rode ochtendjas door het huis kan spoken’, en die verder nog op de bijstand van zijn collega mag rekenen bij het rondgaan met de pet op de Brusselse Grote Markt: Grunberg is ongetwijfeld de vileinste schenenschopper uit de laag- en vaderlandse literatuur, een sluwe gluiperd, een Reinaart die je vel afstroopt waar je bijstaat. Geen wonder dat A.F.Th. boos is. En ook Brouwers hebben we niet meer teruggezien voor de gezamenlijke signeersessie achteraf. Nochtans horen ze te weten dat een vos streken heeft en zeker een jonge, dat men beter op zijn staart kan trappen dan op zijn kippen te gaan letten, zoals het spreekwoord zegt. Of sluit hem in de armen, geef hem de aandacht die hij verlangt, zeg dan ‘verdwijn, maar kom snel terug.’ Hem adresseren met de titel van zijn nieuwste boek is dan weer wat overdreven – Veerle Dobbelaere daarentegen...



Gezien op 1 en 2 november in deSingel en in Petrol te Antwerpen. www.deavonden.org
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie