Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
OPA IS EEN ROCKER
datum 14.10.2007
rubriek Muziek
Live fast, die young’ luidde het motto van de eerste generatie rockers. Intussen staan ze, met stramme knieën en een ietwat versleten prostaat, nog altijd op het podium, alsof de jaren ’60 en ’70 nooit weg geweest zijn. Krasse knarren met een gitaar: tasten ze de geloofwaardigheid van rock ’n roll aan of bewijzen ze dat je wel degelijk waardig ouder kan worden op een podium?
Rock ’n roll is here to stay. Die songtitel van Danny & The Juniors nemen een heleboel bands en artiesten op jaren tegenwoordig heel letterlijk. The Rolling Stones, The Doors, Bob Dylan, Neil Young, Rod Stewart, Tom Waits, David Bowie, Paul McCartney, Sting, Emmy Lou Harris, Bruce Springsteen, Iggy Pop, Brian Ferry, Elvis Costello, Elton John en we vergeten er ongetwijfeld nog een pak: het lijstje rockartiesten voorbij de 50 is lang. Wat is er gebeurd? Was rock ’n roll vroeger niet per definitie iets voor jongeren? Rebelse jongeren die zich bandeloos zuipend, rokend en lawaai makend afzetten tegen de oudere generatie? Rockcriticus John Strausbaugh, auteur van het boek Rock Till You Drop, meent van wel. Hij gruwt van de manier waarop oudjes de dienst uitmaken in de pop- en rockwereld. “Rock ’n roll zou niet moeten gespeeld worden door 55 jaar oude mannen met drie kinnen en een slecht aangebrachte toupet, die doen alsof ze nog steeds opgewonden raken van songs die ze 35 jaar geleden schreven. Het publiek zou ook niet moeten bestaan uit kalende mannen van middelbare leeftijd met een buikje”, zo betoogt de voormalige journalist van The New York Times.

Strausbaugh mag er zich dan samen met vele anderen een knoert van een maagzweer aan ergeren, de muziekindustrie smult van rockdinosaurussen. De reden is duidelijk: geld, geld en nog eens geld. Oude rockmuzikanten brengen meer duiten in het laatje dan een lucratieve beleggingsportefeuille van Paul D’Hoore. Voor optredens van rock – en popfossielen met enige faam die (bij voorkeur) hun grootste hits spelen, leggen fans gewillig geld neer – wie wil een oude mythe for old time’s sake niet eens aan het werk zien? Het resultaat is er naar: elk jaar strijken The Rolling Stones, Paul McCartney, David Bowie, The Eagles, Eric Clapton en anderen met hun tournees recordwinsten van 100 miljoen dollar en meer op. Nostalgie is een bijzonder lucratieve afdeling in de pop- en rockbusiness, met The Rolling Stones als absolute kampioenen. Volgens zakenblad Trends bracht de Steel Wheels tournee The Rolling Stones in 1989 (bijna 20 jaar geleden!) 260 miljoen dollar op. In sommige landen betaalde je toen 75 tot 250 euro voor een toegangskaartje van The Rolling Stones – prijzen die zelfs bijna 20 jaar later nog indruk maken. Mick Jagger in het zakenblad Fortune: “We leven niet in een socialistische maatschappij waar we met zijn allen zo slecht betaald zijn dat niemand een ticket kan betalen.”

Voor de muziekindustrie vertegenwoordigen oude rock- en popidolen een pak geld, voor de muzikanten zelf is een goed gespekte bankrekening uiteraard evenzeer een belangrijke reden om het podium te bestijgen. Zeker wanneer de platen- en cd-verkoop in elkaar zakt, voelen ze de nood opborrelen om opnieuw creatief te worden en de adrenaline door de aderen te voelen pompen. En daarbij wordt de ene groep al veel minder gehinderd door schaamtegevoel dan de andere. Wat te denken bijvoorbeeld van toetsenist Ray Manzarek (68), die in 2001 het dubieuze idee kreeg om The Doors terug bij elkaar te fluiten? Samen met oude kompaan Robby Krieger (61, gitarist) trok Manzarek rond met een tournee die nogal wansmakelijk ‘The Doors Of The 21the Century’ gedoopt werd. Jim Morrison draaide enkele keren rond in zijn graf in het Parijse Père Lachaise, onder meer ook omdat Ian Astbury (55), sekssymbool-over-datum van The Cult, hem verving. Maar ook dichter bij huis woedt de nostalgiekoorts: zo werd onlangs eendagsvlieg Plastic Bertrand (van het fantastische Ça Plaint Pour Moi) opnieuw op een podium gesignaleerd. Ook The Who zag er geen graten in om opnieuw op te treden, nota bene zonder de overleden John Entwistle en zonder Keith Moon. Brian May (59) en Roger Taylor (57) zagen er net zo min graten om Queen nieuw leven in te blazen zonder de onmisbaar gewaande frontman Freddie Mercury. Er zijn anderzijds ook groepen die met gitzwart sarcasme voor hun geldzucht uitkomen: Pixies traden terug op voor hun Sell Out Tour, The Sex Pistols gingen in de jaren ’90 de baan op voor de Filthy Lucre Tour. Eén van de enigen die niet door de knieën gingen voor een pak geld waren Björn (62), Benny (60), Agnetha (57) en Frida (61) van ABBA. Zij lieten een bod van 1 miljard euro liggen om 100 reünieconcerten te spelen. Ironisch, omdat de Zweedse groep doorgaans afgedaan wordt als hypercommerciële flutmuziek.

Een goedgevulde zak geld is dus in veel gevallen de belangrijkste reden waarom veel oudere rocksterren last hebben van een plotse bui van creatieve bevlogenheid. Stewart Copeland – toen nog niet bezig met een reünie met The Police – vatte het perfect samen: “Heb jij enig idee wat het kost om Mick Jagger te zijn? Die kerel zit constant op exotische eilanden, heeft kastelen in Gloucestershire en Toscane, heeft een gigantische loft in New York, een villa in Malibu en nog één in Mexico. Om zulke eigendommen te onderhouden heb je meer dan honderd miljoen dollar nodig op je bankrekening.” Om een exuberante levensstijl vol glamour en drugs vol te houden, heb je geld nodig. Al zijn niet alle artiesten louter geldbeluste opportunisten. Sommigen willen compenseren voor de fortuinen die ze decennia geleden misliepen. “Bij onze start was er niet echt geld te verdienen met rock ’n roll. Er bestond niet zoiets als een tournee-industrie. Natuurlijk streken sommige mensen geld op, maar niet de groep zelf”, zegt Mick Jagger in Fortune. Iggy Pop sluit zich daar bij aan: “Het is niet meer dan rechtvaardig dat we na al die jaren zelf een keer langs de kassa mogen passeren. Anderen profiteerden van ons pionierswerk en verdienden in onze plaats miljoenen.” Het moet gezegd: een meer dan valabel argument.

Wat er ook van zij, een zorgeloos pensioen mogen de actieve oudjes meestal tegemoet zien. Toch is er een pijnlijke vaststelling: om cd’s met nieuw materiaal staan fans allesbehalve te springen. Niet verrassend, als je weet dat de cd-verkoop slabakt en dat het nieuwe werk van oude artiesten door de band genomen evenveel vernieuwingsdrang aan de dag legt als de zomerprogrammering van de Vlaamse tv-zenders. Enige financiële troost: Greatest Hits, compilaties en ouder werk doen het wel altijd goed. Al kan ook dat al eens een lelijke knauw aan het ego geven. Paul McCartney mocht het in 2001 meemaken dat oud materiaal van The Beatles beter verkocht dan zijn album Driving Rain. Maar over de artistieke waarde van oude rockzangers valt dan ook sowieso al niet heel veel positiefs te vertellen. Wijlen muziekcriticus Ian MacDonald betoogde ooit dat de kwaliteit van rockmuziek angstwekkend daalt nadat de beoefenaars ervan 30 jaar geworden zijn. Controleer het zelf in uw cd-kast: op enige uitzonderingen na zit hij er niet gek ver naast. De creatieve vervaldatum van veel rockende oudjes is al lang verstreken, hoewel ze zichzelf en hun publiek dolgraag iets anders wijsmaken.

Toch zijn er een handvol oudere artiesten die hun carrière verlengen zonder hun (geloof)waardigheid te grabbel te gooien en er wel in slagen hun vervaldatum voor zich uit te schuiven. Bruce Springsteen, Bob Dylan, Elvis Costello, Alain Toussaint, Neil Young, Lou Reed, Tom Waits en bij ons Arno: het zijn voorbeelden van oude rockmuzikanten die wel nog altijd iets te betekenen hebben en niet spontaan lachkrampen ontlokken aan het publiek. Het kan dus. Dat vindt ook Brian Ferry - die onlangs een door muziekcritici gesmaakte tribute cd voor Bob Dylan opnam - : ”Er zijn voorbeelden die bewijzen dat het niet over is tot het over is. Neem Lou Reed: die heeft na eerste piek vijftien jaar rommel geproduceerd, voor hij met New York weer zijn oude peil bereikte. Leonard Cohen houdt zeven jaar zijn bek, maar als hij met iets nieuws komt, is het zeer de moeite waard. Hetzelfde voor Peter Gabriel en Neil Young.”

Wat moeten we dan denken van al die halve en volledig mislukte pogingen van rockende vijftigplussers om hun eigen mythe te overleven? Is plaatsvervangende schaamte de enige gepaste reactie? Of moeten we ons gewoon deemoedig neerleggen bij de onvermijdelijke vergrijzing van rock ’n roll, een muziekgenre dat ooit het symbool was voor alles wat jong, losbandig en rebels was? Hoewel veel reünieconcerten een ronduit gênante vertoning zijn, dichten sommigen rock dezelfde rol toe als jazz in de jaren ’70. Veel jazzmuzikanten krijgen (en hebben) aanzien net omdat ze oud zijn. Waarom dan niet met rocksterren op jaren? Natuurlijk, wellicht voelen veel artiesten zich simpelweg te goed om al op een exotisch eiland onder een palmboom – in een palmboom, in het geval van Keith Richards – te rentenieren. En dus gaan ze door. Keith Richards: “Ik wil bewijzen dat je in de rock ’n roll waardig ouder kunt worden. Zonder te playbacken, zonder krukken en zonder verpleegsters op het podium. Het is beter dan zelfmoord plegen, toch?” Zolang de strakke lederen broek in de kleerkast blijft, zien we er geen graten in, Keith. Sommige dingen kunnen nu eenmaal echt niet door de beugel. Intussen fluit de gitzwarte cynicus in ons vol overtuiging mee met een onverwoestbare Rolling Stones-song: I want money, that’s what I want, … If you want me to love you, that’s what I want, Give me money, that’s what I want.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie