“Silent Revolutions” wil in de Kruidtuin en in Bibliotheek Tweebronnen werken tonen die opvallen door hun ingetogen kracht. Vergeet pijnlijk felle kleuren, disproportioneel grote gevaartes en shockerende beeldtaal: deze werken zijn sober, koppig en gelaagd. Ik twijfel er niet aan dat de tentoongestelde kunst voor een aanzienlijk aantal bezoekers te “silent” is, op het randje van nietszeggend. Moderne kunst flirt sowieso al vaak met het “dat had ik ook gekund”-syndroom en de ziekte van “als er geen naamplaatje aan was vastgeschroefd, was ik er zo voorbij gelopen”. De werken in de Kruidtuin ontsnappen grotendeels aan die valkuil, omdat ze fysiek volumineuzer en esthetisch meer uitgesproken zijn dan hun tegenhangers in de bib. De Kruidtuin, die in 1738 ontstond als universitaire plantentuin waar studenten wetenschappelijk onderzoek konden verrichten, is een verborgen schat van de studentenstad. Vier kunstenaars kozen er een plekje uit en lieten zich inspireren tot nieuw werk. Tegen de piekfijn onderhouden achtergrond van planten, bomen en vijvers komen de strakke kunstwerken prachtig tot hun recht. Het werk van de jonge Renato Nicolodi (°1980), bijvoorbeeld, is solide en onverzettelijk. Wie de Kruidtuin binnenwandelt, is verplicht om rond de Triomfboog heen te stappen en een blik te werpen op deze poëtische interpretatie van grootstedelijke, megalomane architectuur.
Ook om het werk van Wesley Meuris (°1977) kan je niet heen. Meuris koos de feeërieke Oranjerie als setting voor zijn Plantenkabinet. Geïnspireerd door 16de-eeuwse Wunderkammer, zogenaamde rariteitenkabinetten, construeerde hij een archiefsysteem met de ambitie het hele plantenrijk te omvatten. Het aanzicht van de zorgvuldig gelabelde, maar lege en steriel witte kasten legt het futiele van die drang naar taxonomie meedogenloos bloot. Geen liefde op het eerste gezicht, bij sommige bezoekers hoorde ik zelfs de krachtterm “Ikea” vallen, maar wie tussen de kasten heen loopt, wordt willens nillens voor het concept gewonnen.
Sceptici zullen zo goed als zeker struikelen over de werken van Frederik Van Simaey (°1979) - een vlaggenmast met een hoofdkussen in parachutestof, een constructie van twee voetbalgoals verenigd door een basketring en een in hout uitgewerkte koelkast. Stuk voor stuk lege dragers in maagdelijk wit die onvermogen belichamen. Veel prominenter is het tuinhuisje dat Stefaan Dheedene (°1975) plaatste in de verzonken tuin, een afgemuurd deeltje van de Kruidtuin waarin rust van tussen de fruitboomranken naar buiten gutst. Het huisje – opzettelijk lelijk – staat in de weg. Het stoort, het is ongemanierd en hult zich in stilzwijgen.
In vergelijking met de Kruidtuin, spelen de werken in Tweebronnen – een gebouw ontworpen door Henri Van de Velde – minder in op hun omgeving. Gepresenteerd tegen witte muren plooien ze op zichzelf terug, nederig maar niet apolegetisch. Anne Daems (°1966) kiest voor non-spektakels. “72 girls and some boys who could be models” (2006) is opgebouwd uit 72 portretten van jonge New Yorkers. Ze poseren niet, weten zelfs niet dat er een lens op hen is gericht, spelen geen rol. Hun gezichten worden één na één geprojecteerd, zonder toelichting of opsmuk. De tekeningen van Daems zetten een even gedurfde stap in de richting van het doodnormale. Alles wat haar interesse en verwondering opwekt, krijgt een plaatsje op papier – ongeacht hoe Salonfähig het onderwerp al dan niet moge zijn. De tekeningen zijn kinderlijk en ontroerend.
Wie zich omdraait, komt oog in oog te staan met de “Imaginaire balletten” en “Verloren Ruimtes” van Guy Mees (1935-2003). Fragiel materiaal, hoekige vormen in snoepjeskleuren, vastgezet met fijne speldjes. Een zoet, bevreemdend zicht dat zacht verleiding en onschuld even aanraakt – voor het weer wegwaait.
Messieurs Delmotte (°1967) is, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, één persoon die van herhaling zijn handelsmerk heeft gemaakt. Incompetentie, absurditeit en spot kenmerken zijn oeuvre. Ongeremd duikt hij in de hopeloosheid van het menselijk bestaan en legt met gusto zijn eigen falen – als het dat is ? - vast. De drie videosequenties die in een continue loop worden afgespeeld zijn van het toegankelijkste wat de tentoonstelling aanbiedt dankzij hun wrange humor.
De Bruggeling Robert Devriendt (°1955) presenteert “Sequentie” (2007), een reeks miniatuurschilderijtjes die vertederend naïef aandoet. De canvasjes doen denken aan de prentjes uit de jaren 50 en 60, met zoete roze-oranje tinten en vochtige ogen. Maar naast elkaar zetten de taferelen een verhaal in werking. Voor je er erg in hebt, heb je een tijdskader, een scenario, een intense verhouding ingepast en probeer je door de doeken heen naar de waarheid te grijpen. Nog intrigerender is de “Atlas der bewegingen” van Christoph Fink (°1963). Onderweg van een vertrekpunt naar een nooit-echt-eindpunt noteert de kunstenaar als een seismograaf alle indrukken die op hem afkomen: weersomstandigheden, tijdstabellen, waarnemingen, gevoelens, ideeën, angsten, landschapsgezichten…alles wordt geïnventariseerd. Terugplooien op eigen, lichamelijke ervaringen wordt een houvast, een dwangmatige obsessie. Sterk hoe carbonpapier vol hanenpoten en golvende lijnen met ontelbare vertakkingen je kunnen laten dromen van wat ver en spannend exotisch is.
De naam van de tentoonstelling “Silent Revolutions” dekt de lading. De kunstwerken grijpen je niet naar de keel, streven niet naar spektakel en hebben geen grote ambities. Ze laten zich zien, aftasten, peilen maar kijken zelf dwars door je heen. Het revolutionaire ligt vooral in het weerstaan aan de drang grote boodschappen te verkondigen. De werken bestaan vooral voor zichzelf. Of die boodschap een podium waard is, hangt grotendeels af van de goodwill van de bezoekers.
“Silent Revolutions” loopt nog tot 2 september.
www.chancart.be






