Over de cd hoor je me trouwens niet klagen. Ik vind hem best leuk om naar te luisteren. Al stijgt het daar nooit echt boven uit. Na eerdere samenwerkingen op de bundels Bloedtest en Obiit in orbit presenteren dichter Serge van Duijnhoven en dj Fred dB – samen het collectief Dichters dansen niet een nieuwe mix van poëzie en muziek. De cd Klipdrift vormt ‘een wervelende afwisseling van spoken word, sferische collages, klankexperimenten en messcherpe audiocollages’. Fred dB ondersteunt met soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven en geeft ze een gelaagdheid, die ze in boekvorm niet kennen. De symbiose van poëzie en muziek werkt wel. Mijn vraag is: werkt de poëzie ook als ze op zichzelf staat? Wat te doen bijvoorbeeld met het hierna volgend fragment zonder de muziek en de voordracht van Van Duijnhoven?
Ge zijt een zak
Ge schijt in as
Ge pijpt de lul
Ge schijnt een wrak
Dit is flauw! En wat met het hiernavolgend fragment uit loop ik langsheen het leven? Op plaat is dit een vrij nerveuze collage van loops, stemmen en van oosters aandoende beats. Op papier gaat dit effect helemaal verloren. Alsof je de lyrics uit een of ander cd-boekje voorleest. Poëzie is het niet. Saai is het wel. En het dramt maar door. Drie bladzijden lang nietszeggendheid. Wie houdt dit vol?
Als ik vergeet, geloof dan niet dat het is omdat ik wreed zijn wil
Als ik verwijs, geloof dan niet dat het is omdat ik wijs zijn wil
Als ik vertel, geloof dan niet dat het is omdat ik spreken wil
Als ik spreek, geloof dan niet dat het is omdat ik horen wil
Als ik zwijg, geloof dan niet dat het is omdat ik zever wil
Het dichtbundeltje ziet er nochtans heel patent uit: heel dadaïstisch met veel kleuren en zo… Klipdrift lees ik. En daaronder Dichters dansen niet. Klipdrift vind ik een heel mooi woord. Er wordt een ganse pagina gewijd aan de verschillende betekenissen van de term. Het is een ‘niet-diepgaande zeestroming die door de heersende wind ontstaat’. Of nog: ‘instinctieve impuls op de grens van levensdrift en doodsdrift’. Of nog: ‘de fatale paringsdans van Eros en Thanatos’. En tenslotte is klipdrift ook nog ‘een Zuid-Afrikaans prikkelend drankje van wodka-cola in glazen flesje’. En op de volgende pagina lees ik een citaat van Maurice Gilliams, uit Bronnen der slapeloosheid IX:
En in de ziel gereed om te verdwijnen,
krijgt ieder op zijn klip zijn angsten toegemeten,
tot in de borst verkleumd van zwijgzaamheid.
De mooie verpakking maakt de inhoud echter niet. Van Duijnhoven maakt het zich hier meteen knap lastig. Aan de hielen van Gilliams komt hij bijlange niet. Een flauwe woordgrap in een gedicht als Jungske kan daar weinig aan verhelpen. We vallen in herhaling. Op cd voorgedragen klinkt dit best aardig. Als gedicht op papier heeft dit gewoon te weinig kwaliteiten. Het aardigste gedicht in de bundel is Zelfportret zonder ik. Dit gedicht bezit voldoende ambiguïteit en gelaagdheid om als poëzie door te kunnen gaan. Ik citeer dan ook even het volledige eerste deel van dit gedicht.
de geheimagenten van mijn bewustzijn
schaduwen mijn brein
wie bepaalt er wie de vijand is?
degene die zich in mijn naam
verbasterd heeft van tegenpartij
(‘e-ne-my’) tot die ene-in-mij
twee wezens uit hetzelfde nest
ontstaan; mijn lichaam blijkt
bestand. Mijn verstand
gaat kopje-onder
in het gistende moeras
van het handjevol verwanten
dat ik was
Ook mooi gevonden is Der Duft der Frauen in Nylon. Van Duijnhoven komt hier het dichtst bij iets dat op poëzie lijkt.
O zalige geur van vrouwen in nylon
O verrukkelijke leer met een slag om de arm
O dampende dij, malse heup, vaar langszij
O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers
Elders lijkt hij veeleer last te ondervinden van een serieuze midlife crisis. Doorheen de bundel raakt hij steeds meer de rode draad kwijt tot hij stuiterend tot stilstand komt in het op herhaling en op onnozele taalspelletjes geënte Nu het oog steeds vertrouwder:
Nu zo rood als de stonde.
Nu zo stoned als de kommer.
Nu zo kwel als de zomer
Zo gaat het nog ruim drie bladzijden door. Komen we bij het volgende en voorspelbare bladvulsel Tot het slot het einde dat ook weer twee bladzijden opvult. Ten slotte krijg je een dichtbundel die wel mooi oogt maar waarin voorspelbaarheid troef blijkt. Van Duijnhoven had duidelijk geen inspiratie toen hij aan deze opdracht begon. De uitgever moest het doen met twee of drie behoorlijk goede gedichten. Daarrond werd dan weer wat bladvulsel verzonnen. Wat te denken van het vleugellamme titelgedicht Klipdrift of van No More Chains, een soort prozaïsche overpeinzing bij het werk van de mij onbekende Duitse jazzcomponist Ali Haurand? Te oordelen aan de compositie op de cd is dit waarschijnlijk wel een interessante en te ontdekken muzikant. Van Duijnhoven maakt er zich echter vanaf met enkele verschrikkelijke dooddoeners. In bepaalde kringen zal dit waarschijnlijk doorgaan voor poëzie en ijverig en klakkeloos overgenomen en eindeloos gedebiteerd worden.
We kunnen zingen, dromen, musiceren, uiting geven aan onze diepere zielroerselen, we kunnen wellicht juist kracht en waardigheid vinden door onze zwakheid te bekennen, zeggend ‘dat we niet strijden op hoop van overwinning, opdat we niet overwonnen worden’.
‘Klipdrift’, Serge van Duijnhoven en Fred de Backer, paperback met cd, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2007; 19,90€; 64 blz.; ISBN 978 90 468 0283 0.






