Giacinto di Pietrantonio cureert deze editie van het verzen- en beeldende kunstenfestival, en dat is er hier en daar aan te zien. Veel Italiaanse kunst en nog meer van zijn dichtende landgenoten, zo blijkt. Een grote naam als Eugenio Montale prijkt op gepaste wijze op het kerkhof bij de Sint-Bavokerk – onze eerste stop. Zijn algemene staking wordt handig gelinkt aan het eeuwige staken, de dood, al heeft ‘je wekken…geen zin / omdat je altijd wakker bent’. Een gedicht in de beste christelijke en ook Italiaanse traditie, en dan doel ik vooral op dat staken. Is de dood niet een grote staking tegen het leven? In elk geval zijn de doden de stilste wezens op aarde, ze zullen zich wel koest houden, al draaien ze zich als je niet oplet eens lekker luidruchtig om in hun graf.
Bovenstaand gedicht past ook in het concept van dit jaar, dat nogal postmodern ‘een lek in het zwijgen: noise –’ heet. Het is een regel uit een gedicht van Hans Faverey, maar had evengoed uit dat van Wiel Kusters kunnen komen: ‘de rest is stilte tussen de regels’. En je zal het zien: zelden een gedicht of kunstwerk tegengekomen dat niet in dit, toegegeven, nogal generalistische credo past. Of wat dacht u van de surrealistische piano’s in Grensland die vaak onspeelbaar zijn, of waarvan de indruk wordt gewekt dat zij allesbehalve dienen om te spelen?
Zo is de meerderheid van alles wat beeldend is op Watou: een goede trouvaille. Maar is niet vele beeldende kunst zo? Spreek me eens tegen! Van de veelkleurige en in crescendo groter wordende reeks canvassen op de zolder van Grensland, voorzien van al even onopvallende spijkers met hakenkruismotief. Over de koningskamer met lachende vorsten van Diego Perrone, en het meesterlijk bijhorende gedicht van Gerrit Komrij in het Douviehuis. Tot de ballonnen na het feest van Kelly Schacht op dezelfde locatie. Charmante huiskamerkunst, in die laatste gevallen, maar wat dan gedacht over de lachende doos van Lara Favaretto (‘And a chuckle will bury you’)? Dit onding werkt zodanig op de zenuwen na een tijd dat je het een welgemikte trap wil geven – voilà, gedaan met lachen. Het vult de hele kamer en het lijkt wel het gehik van de duivel – erin afdwalen durf je niet, maar het binnensmonds vervloeken gaat nog net. ‘De doos van Pandora’, zei iemand, maar dit is volgens mij veel erger. Of hoe vrolijkheid ergernis kan opwekken, en het kunstwerk hierdoor zijn doel bereikt.
Heel vaak mag het resultaat ook doodgewoon mooi zijn. Of intrigerend, fascinerend, biologerend, in trance brengend. Of een combinatie van al die factoren. De video van Bill Viola (‘Hatsu Yume – First Dream’) op kop: bijna een uur lang zien we door hem in beeld gezette visuele scapes, onafgebakende impressies die in slowmotion voorbijglijden, alweer op weg naar een andere wereld. Jammer dat de menselijke attention span zo ondermaats is, en er nog andere locaties wachten, want deze gemanipuleerde captaties zijn van een onaardse schoonheid.
Mircea Cantor doet het met twee diertjes in ‘Deeparture’: het hert en de wolf – een modern sprookje in een ruimte in het Douviehuis die volledig lijkt opgedragen aan de wolf (of coyote), met verder nog Joseph Bueys’ klassieker ‘Coyote ‘I like America and America likes me’’ én Mungo Thomsons ‘The American Desert’, waarin we het vertrouwde landschap van Roadrunner ontwaren maar dan zònder dat lawaaierige beest. De dubbele ‘e’ in Cantors titel verwijst nogal flauw naar de Engelse benaming van het hert, maar verder ontleent deze video wel zijn kracht aan de protagonisten. Met bijna ontroerende elegantie staan zij tegenover elkaar, twee natuurlijke vijanden, op een ondergrond die aan ijs doet denken (misschien een nieuw succesvol format voor de VTM?), en wij, leden van de homo sapiens sapiens-clan volgen hun doen en laten, hun zitten en staan met relaxte spanning en op het ritme van hun lijven – het hijgen van de wolf, het zenuwachtig ademen van het hert. Verplichte kost voor elke biologieles.
Nog in het Douviehuis betreden we een verduisterde zolderkamer met niks dan de geijkte kop van Jan Fabre die opsteekt boven zand. Tegenstanders van Fabre zullen toejuichen dat aldus Fabres grote mond gesnoerd wordt en droomden er allicht al lang van dat de kunstenaar levend begraven wordt, maar niemand minder dan Fernando Pessoa toont medelijden en leent hem graag een stem. Dat is: Dirk Roofthooft leest op indringende wijze Pessoa voor, zoals alleen hij dat kan en mag, en zoals hij ook tekent voor alle andere voorgelezen gedichten op deze editie. ‘Zouden wij op deze wereld niets dan pennen zijn met inkt / waarmee iemand waarachtig schrijft wat wij hier krassen?…’ Een zinsnede die wonderwel past bij de blauwe belichting op Fabres kop, en bij alle andere metafysische gedachten die daarbij de kop opsteken. Overigens zingt Roofthooft zowaar verder op deze locatie: zijn interpretatie van een anoniem Latijns gedicht annex lullaby moet iedereen gehoord hebben.
Het Douviehuis vormt ontegensprekelijk het hoogtepunt van uw zondags uitje. Noteer ook nog prachtige gedichten van Anton Korteweg (‘Bestond ik uit taal niet, ik moest me niet denken’), Hans Groenewegen (‘Adembenemende, beneem mij de adem vandaag nog niet’), Erwin Mortier en van niemand minder dan de debuterende radioman Pat Donnez, die zich als het ware opwerpt als de nieuwe Hans Andreus. Het spijt ons te moeten zeggen dat daarna het vet een beetje van de soep is. De andere locaties kunnen niet op dezelfde manier overtuigen, lees: hier en daar werpt zich een curieus of heel mooi kleinood op, maar het gevoel dat deze werken opwekken wordt niet bestendigd door de gebrekkige kwalitatieve continuïteit, maar vooral doordat er – en volgens mij valt dit statistisch aan te tonen – gewoonweg mìnder wordt tentoongesteld. Perikelen zoals de opmars van de huurprijzen zijn ongetwijfeld een valabel argument voor de organisatie, maar voor de bezoeker ontstaat er een heel tastbare lacune. Want waar er vorig jaar nog in enkele uithoeken een verrassende ontdekking kon worden gedaan, zijn die nu nauwelijks bespeurbaar.
Deze spijtige evolutie laat zich nog het best gevoelen in de Douviehoeve. Nadat de bezoeker dat hele eind (ik overdrijf een beetje) gewandeld heeft, verwacht hij toch net iets méér – zowel kwantitatief als kwalitatief. Het ‘positief’ van Anno Dijkstra’s ontploffingsperformance vanop de opening staat hier enigszins verweesd in een stalletje te verkommeren, al is de paddestoel op zich wel een mooi en interessant sculptuur. Job Koelewijns tankstation is nog zo’n goed idee, alleen valt de aankleding met tijdschriftadvertenties en andere glossy uitdossing een beetje tegen; de man had sterkere beelden kunnen gebruiken voor zijn economische aanklacht. William Kentridges innig mooie sprookje ‘Tide table’ is goed voor een achttal minuten vergapen aan de wonderen van de techniek (denk gerust aan de vergane jeugdfilm ‘Jan zonder vrees’) maar lijkt uiteindelijk nergens toe te leiden.
Amusante video's krijgen we van legende Marcel Broodthaers van wie ‘La pluie’ zeer hard op de lachspieren werkt. Slapstick van de beste soort. Jimmy Durhams ‘Stoning the refrigerator’ is zonder meer goed, en vermengt de absurde humor van Monty Python met een stompzinnige clip van Fatboy Slim en enige maatschappijkritiek. Nog zeer de moeite op de Douviehoeve, die we hiermee noodgedwongen voor bekeken houden, is het ballet der tollen van Miguel Angel Rios (‘On the edge’). De kunstenaar klinkt als een binnen- en toch buitenlandse zanger van bij ons maar met zijn nauwgezet georkestreerde choreografie van witte en zwarte speelgoedtollen zet hij heel even al onze kritische bedenkingen schaakmat. Inderdaad krijgen we een kruising tussen een partijtje biljart en schaak te zien, geënt op het dagdagelijkse menselijke verkeer in bijvoorbeeld een grootstad.
Veel videokunst dus op Watou, en op een of andere manier lijkt me dat een veilige en dus ook enigszins gemakkelijke keuze. Het lijkt wel of men niet genoeg plastische kunstenaars bereid heeft gevonden hier te exposeren, want het moet gezegd: het aanbod op dat vlak is eerder schraal. Een niet te onderschatten gevolg van deze keuze (?) is dat deze editie van Watou bijzonder toegankelijk is geworden. Vele werken ontlokken een onmiddellijk effect bij de toeschouwer, met andere woorden: het is soms lang zoeken naar kunst die een kleine hoeveelheid zoeken vergt. Daar is niets mis mee, maar het valt wel op, ook bij de beeldende kunst die wél aanwezig is. Zoals bij John Armleders ‘Universal mirror balls’ in Grensland, dat zoals de naam al doet vermoeden, vooral bestaat uit grote (disco)ballen. De ruimte wordt erdoor gevuld, en een draaierige, lege feestzaalsfeer wordt gekoppeld aan de stem van Roofthooft die Luceberts bezwerende klassieker ‘ik draai een kleine revolutie af’ afsteekt. Voor dergelijke symbioses tussen het gedicht en het kunstwerk, of tussen het gedicht en de omgeving, kom je nog altijd naar Watou, veel méér dan voor beide disciplines afzonderlijk. Het levert enkele geslaagde combinaties op, zoals deze in Grensland, maar ook die tussen Pessoa en Fabre, tussen Komrij en Perrone, tussen Pat Donnez’ ‘Wij kunnen goed met bomen praten’ en, euh, de bomen.
Het dirigeerstokje dat Kris Martin onopvallend aan een boom met rode bessen heeft gehangen, denkt er het zijne van. We eindigen op een positieve noot, maar zien volgende keer graag iets meer – en dat mag heel letterlijk genomen worden.
Gezien te Watou, op 22-07-07. www.poëziezomerswatou.be






