Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Bjorn Gabriëls:
J. Kessels: the novel
Jan Van Loy spreekt
Richard Yates - Revolutionary Road
De heining, door dwangmatig polijster Jan Van Loy
Maya Schweizer & Clemens von Wedemeyer - Metropolis, Report from China (2006)
Jack Hazan & David Mingay, Rude Boy (1980)
LONDON BRAWLING
datum 22.07.2007
rubriek Film + TV
Het derde luik van het punkthema in het MuHKA was gereserveerd voor Rude Boy (1980), een docufictie van Jack Hazan en David Mingay. De film richt zich op The Clash in de aanloop naar het grote succes, ten tijde van de opnames voor hun tweede album Give ‘Em Enough Rope en hun tournee door Groot-Brittannië in 1978. Tegelijkertijd doet Margeret Thatcher een gooi naar het premierschap. De fictieve gids die ons bij de politiek geëngageerde punkgroep introduceert is Ray, een would-be roadie maar vooral een would-not-be anything.
Ray, ‘gespeeld’ door niet-acteur Ray Gange, is een apathische jongeman die zijn dagen slijt met rondhangen in het Londonse punkmilieu en werken als verkoper van pornografische tijdschriften. De enige ambitie die hij aan de dag lijkt te leggen is betrokken raken bij The Clash, een punkband op het punt van de doorbraak. Als hij lang genoeg in de entourage van de groep rondlummelt, komt er een plaatsje vrij als roadie en krijgt hij de kans mee op tournee te gaan. De evolutie die de band doormaakt staat echter haaks op Rays eigen ontwikkeling en intenties. Hoe meer de bandleden beseffen dat The Clash muzikaal en – naar zij hopen - maatschappelijk een verschil kan maken, hoe meer Ray zwelgt in alcohol en onheerlijk nietsdoen.

Waar The Clash en vooral zanger Joe Strummer – die het leeuwendeel van de aandacht van het regisseursduo krijgt – een duidelijk politiek engagement aangaan, komt Ray in het uitdrukken van zijn ideeën niet verder dan “I hate those left-wing wankers”. De gesprekken die Ray aangaat hebben dan ook meer van dronkemansgewauwel dan van een gefundeerde, geëngageerde discussie. Ray – onvast te been met het onvermijdelijk blikje bier in de hand – wil bij Strummer bepleiten dat het samengaan van muziek en politiek niet hoort, met als enige argument: “It annoys me”. Strummer reageert wat meewarig, wijst een blikje bier af omdat hij is gestopt met drinken (“because it was fucking me up”), en speelt Let The Good Times Roll aan de piano. Ray laat het gesprek voor wat het is en begint een houterig, strompelend dansje; muziek als escapistische verstrooiing zonder meer.

Niettemin domineert politiek het Londense straatbeeld aan het einde van de tumultueuze jaren zeventig. In de aanloop naar de verkiezingen komen aanhangers van het National Front de straat op in een manifestatie tegen communisten. De straten hangen vol met affiches (“Labour isn’t working”), al dan niet beklad door politieke tegenstanders. Betogingen en tegenbetogingen volgen elkaar op met als enige constante de overweldigende aanwezigheid van cordons politieagenten. Hazan en Mingay introduceren de maatschappelijke situatie via een aantal niet-fictionele scènes; met naast documentaire beelden van betogingen, ook een defilé van Queen Elizabeth II en een toespraak van Margeret Thatcher tijdens haar politieke campagne.

Hazan en Mingay laten de beelden van het politiek-maatschappelijk klimaat op een (meestal) subtiele manier interageren met het fictieve verhaal van Rude Boy. De zakenman die, volledig in het kostuum gegoten, met enige schroom vraagt naar een pornografisch tijdschrift met zwarte vrouwen en vervolgens een goede prijs wil afdingen, contrasteert met het ingeburgerde racisme. Ook de man die tijdens een toespraak van Iron Lady Thatcher verveeld zijn gegeeuw tracht te onderdrukken en plichtsbewust applaudisseert op de aangewezen momenten, kadert binnen dezelfde lichtzinnige ondermijning van het politieke bestel.

Eenzelfde mild ironische toon is terug te vinden in scènes die de ontwikkelingen van The Clash portretteren. Zo valt een dronken Ray de hotelkamer van Strummer binnen terwijl deze een T-shirt met opschriften van de Rote Armee Fraktion (R.A.F.) en de Brigade Rosso met de hand aan het wassen is. Bij het inzingen van de zanglijn tijdens opnamesessies voor Give ‘Em Enoug Rope wordt duidelijk dat Strummer niet altijd even goed bij stem is. De (zelf)relativering van The Clash breidt zich uit naar het hele punkmilieu. Rude Boy demonstreert dat de punkbeweging verschillende opvattingen in zich draagt en dat deze al eens met elkaar botsen.

Via centrale figuur én tegelijk ook buitenstaander Ray tonen Hazan en Mingay de tragiek van het leven in de aanloop naar de Tatcherperiode. Uitwasemingen van de mistroostige sociaal-economische omstandigheden, maar ook en vooral de tragiek van een via punk geuit nihilisme. Ray’s bestaan is steeds meer in de greep van drank en verveling. Hij is anti-establishment, maar wil toch rijkdom vergaren, liefst zonder inspanningen. Hij is anti-punk en anti-communist maar staat met beide onvaste voeten in het punkmilieu. Ook in de liefde is hij gedesillusioneerd, tegen een jonge vrouw die hij heeft opgepikt zegt hij: “Don’t call me 'love', because I don’t believe in it”. In tegenstelling tot de bandleden van The Clash heeft Ray geen toekomstperspectief; zonder ambitie en zonder politiek engagement gedraagt hij zich steeds havelozer. De groep ziet zich genoodzaakt te professionaliseren en Ray valt uit de boot. Voor hem is geen plaats in de reguliere maatschappij en ook het punkmilieu slaagt er niet in hem in de armen te sluiten.

Net als Ray door de settings zwalpt, laveert Rude Boy tussen verschillende intenties. Het fictieve deel focust zich op het tot mislukken gedoemde coming-of-age verhaal van een apathische outcast. Daarnaast is er het pseudo-fictieve verslag van een punkband die op een beslissend moment in hun carrière aankomen. Het fictieve luik is doorspekt met grote brokken documentair materiaal: het merendeel van Rude Boy bestaat uit liveregistraties van The Clash, aangevuld met beelden die de problematische Britse maatschappij schetsen. Er is ook een nevenplot die de pijnlijke toestand van de zwarte gemeenschap wil duiden: enkele zwarte mannen worden (terecht?) gearresteerd en ondervraagd door gewelddadige agenten. Deze bijkomende verhaallijn wordt echter niet afgerond en draagt nauwelijks iets bij tot de film. Desalniettemin is de suprematie van de concertopnamen, zoals die schijnbaar gesuggereerd wordt in de Just Play The Clash-optie op de DVD van Rude Boy, sterk overdreven. De uitstekende liveregistraties geven onmiskenbaar de energie van een cruciale punkband weer, maar het fictieve luik van Rude Boy verdient het niet uitgebraakt te worden zoals Ray’s maaginhoud in een uitgesponnen braakscène.

Rude Boy balanceert immers op de grens tussen docu en fictie zonder zich verplicht te voelen een keuze te maken. Ondermeer de (opnieuw) in scène gezette taferelen met de bandleden van The Clash als hoofdpersonages kunnen fungeren in een discussie over fictie versus non-fictie. Ze bieden bovendien een verdienstelijke blik op de interne verhoudingen. Ook de Do It Yourself-attitude kenmerkend voor punkcinema waart door deze film: punkfans verrast door de camera reageren op uiteenlopende manieren en tonen niet alleen het anarchistische en confronterende punkarchetype, maar ook door de omstandigheden overweldigde muziekfans. Het meermaals (al dan niet opzettelijk) verschijnen van microfoons in het beeldkader draagt op zijn beurt bij tot een ongepolijste aanpak. Ook in Rude Boy lijkt punkcinema een voorkeur te hebben voor een documentaireachtige directheid om zo een ruw portret van de hedendaagse samenleving te schetsen. Natuurlijk getuigt elke keuze, hoe onbewerkt en acuut ook, van een (weloverwogen) esthetiek.

Ondertussen eindigt Rude Boy met de weinig hoopgevende beelden van Thatcher die als premier wordt verwelkomd op Downing Street 10. The Clash staat dan wel op het punt internationaal door te breken, ze hebben geen politieke omwenteling kunnen bewerkstelligen. I fought the law and the law won…

Jack Hazan & David Mingay, Rude Boy (1980), MuHKA donderdag 19 juli.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie