Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Bjorn Gabriëls:
J. Kessels: the novel
Jan Van Loy spreekt
Richard Yates - Revolutionary Road
De heining, door dwangmatig polijster Jan Van Loy
Maya Schweizer & Clemens von Wedemeyer - Metropolis, Report from China (2006)
Salman Rushdie
DE LITERAIRE SLAGKRACHT VAN SIR SALMAN RUSHDIE
datum 24.06.2007
rubriek Literatuur
Salman Rushdie (°1947), auteur van onder meer Schaamte, Middernachtskinderen en De Duivelsverzen staat opnieuw in het oog van een religieuspolitieke storm. De verbanden die feit en fictie omzwachtelen raken andermaal doorbloed. Schrijven we een nieuw hoofdstuk over de symboolfunctie van culturele uitingen in een geopolitieke wereld? Of verdringt de hetze de aandacht voor de literaire prestatie?
Rushdie fictionaliseert doelbewust en met literaire slagkracht de verhoudingen tussen Oost en West, de overeenkomsten en verschillen, de gearrangeerde regelingen en de pijnlijke geschillen. Hij heeft oog voor de vaak onkiese rol van een blinde geloofsovertuiging. De Brits-Indiase auteur – zelf atheïst – geeft zowel mythologisering als demystificatie een voorname plaats in zijn literair werk. Het surreële wordt gekoppeld aan de historische werkelijkheid, al willen feitelijke interpretaties wel eens problematischer uitdraaien dan op het eerste zicht verwacht. De moeilijke relatie tussen feit en fictie, tussen de publieke en de persoonlijke ruimte, die Rushdie bespeelt, heeft ook zijn gevolgen in het leven van Rushdie (en vele anderen). Ongewild, zo valt aan te nemen, belandde hij bijna 20 jaar geleden in het oogpunt van een religieuspolitieke storm. Hij schermde zich af van de buitenwereld, waar fysiek geweld het dreigde over te nemen van verbale kracht.

Rushdie zal zich best wel bewust zijn van het provocerende gehalte van bepaalde passages uit De Duivelsverzen, maar in interviews benadrukt hij hiermee een van zijn minst politiek getinte romans te hebben geschreven. Bovendien handelt De Duivelsverzen – nog steeds volgens de auteur zelf – hoofdzakelijk over het leven van een immigrant in het Tatcheriaanse Londen. Niettemin wordt het boek vaak vermeld als het gaat over de West-Oost-verhoudingen rond islamofobie en (religieus) extremisme. Aan het eind van de jaren tachtig kreeg Rushdie flink wat kritiek te verwerken. En niet alleen van islamradicalisten. Zo zou hij het onheil van de fatwa grotendeels over zichzelf en zijn familie hebben afgeroepen. Vervolgens beschouwden vele (Engelse) criticasters zijn verhuis van Londen naar New York als verraad tegenover het land dat hem in bescherming had genomen. Geleidelijk aan luwde de storm. Rushdie twijfelde een tijdje aan zijn toekomst als schrijver, maar zette door: in het oog van de storm is het immers rustig toeven. Rushdie beweert zich als schrijver goed te kunnen afschermen van de buitenwereld. Hij ziet dit isolement zelfs als noodzakelijk en onvermijdelijk. Zowel zijn literaire voorgangers (Rushdie las in die periode auteurs als Genet, Dostojevski en Voltaire) als het werken aan het eigen oeuvre gaven hem hoop.

Op elk moment kan een gevaarlijke wind echter opnieuw opsteken en zo het hele hebben en houden bedreigen. Zo’n moment was de aankondiging dat Rushdie – waarschijnlijk in het kader van de zestigjarige onafhankelijkheid van Indië – tot de ridderstand verheven zou worden door de Engelse Queen, hoofd en kroon van het (voormalige) ‘Britannia that rules the waves’. Opnieuw laait een vurig discours op, bedreigingen en straffe uitspraken worden heen en weer geslingerd, de zogenaamde ‘axis of evil’ haalt weer eens uit. Of er net als ten tijde van het uitspreken van de fatwa over Rushdie in 1989 ook nu slachtoffers zullen vallen, is nog niet duidelijk.

Rushdie wordt opnieuw door verscheidene instanties als symbool van de ‘andere’ cultuur uitgespeeld: als ietwat dubieus verzoeningsgebaar of als voorbeeld van de westerse blasfemische arrogantie. Ondanks zijn interesse om het publieke en het persoonlijke leven op elkaar te laten inspelen, lijkt eender welke politieke rol ondergeschikt aan zijn literaire productie. Zelf hoopt Rushdie dat De Duivelsverzen eindelijk wordt benaderd vanuit zijn literaire verdienste, al heeft de controverse ontegensprekelijk bijgedragen tot de plaats die het boek en zijn auteur in de literaire canon hebben gekregen. Rushdie zal altijd in verband worden gebracht met de fatwa die over hem werd uitgeroepen. Op politiek vlak lijkt de titel van Sir twintig jaar na datum én als instrument in de feestelijkheden rondom de verjaardag van de Indiase onafhankelijkheid slechts een pleister op een houten been. Rushdie en zijn romans blijven echter van vlees en bloed.

Mocht Rushdie als personage in een eigen roman opduiken, hij zou (misschien, nu ja, dan toch of niet?) een gezwel ter grootte van een cricketbal – maar aanzienlijk zwaarder en gevuld met pus – aan zijn rechterbeen meesleuren. Een kloppende zweer die op onregelmatige tijdstippen tot uitbarsting komt, een vuiligheid en lijkengeur verspreidt, en – zelfs door het royaal aanbrengen van zalfjes – in dit stadium niet meer te genezen is. De kadavergeur walmt in de neusgaten van al wie van dichtbij of veraf betrokken is. Bovendien zaait het giftige goedje dat zich ophoopt aan zijn houvast met de aarde uit naar de schrijvende hand (linker en/of rechter, daarover heerst bij mij – en u dan? – de grootste onzekerheid) en bezwaart het die beduidend. Of er iets of iemand verlichting kan brengen is niet duidelijk. Het mag misschien al een mirakel heten dat de bewuste hand nog niet compleet verlamd is.
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie