Een zenuwachtige loopjongen – waarmee we niets denigrerend bedoelen, het was nu eenmaal hoofdzakelijk zijn functie die avond – komt ons en Raymond van het Groenewoud waarschuwen dat de voorstelling tien minuutjes vertraging loopt door een technisch mankement. De automatische bediening doet het niet, waardoor alles manueel zal moeten verlopen. Geen erg, de kwalijkste gedachte die in ons opkomt is ‘Wat als de NMBS met dat excuus zou aanzetten?’, maar Peter Misotten van De Filmfabriek kan zijn geluk niet op wanneer de voorstelling niet de mist ingegaan blijkt na afloop – of ja, toch wel, maar dan niet figuurlijk. Het laatste beeld is namelijk dat van de serre, op maat van het gemiddelde volkstuintje, die bijna apocalyptisch in rook opgaat, vergezeld van helgeel licht. Maar terug naar ‘Serre’, het begin.
Een veertigtal toeschouwers nemen plaats op zitjes met dekentjes en koptelefoon, bereid alles te geloven. Voor de modale Vlaming staat het verhaal van de golem, een reus van joods-mythologische origine, even ver van zijn bed als, bijvoorbeeld, een bar mitswa. Het is dus niet meteen duidelijk waar de tekst, die onze oren binnensijpelt bij stemme van Peter Vandemeulebroucke, naartoe wil. Poëtische volzinnen dampen uit het glazen huisje ons brein binnen, maar dreigen door een te voorzien gebrek aan focusspan weg te dwarrelen in de ijle lucht boven het Koning Albertpark. Prima locatie trouwens, temeer omdat de installatie zich nog in het van de weg zichtbare gedeelte bevindt. Trams en auto’s rijden voorbij, een eenzame fietser verklaart ons gek, iemand anders komt er doodleuk bijzitten (tip voor wanbetalers en gierigaards).
Het duurt een hele tijd voor exact doordringt dat het personage aan het woord wel eens die dekselse golem zelf zou kunnen zijn, en warempel, is het niet zo? En als het besef bij ons al ruim de tijd neemt, dan zeker bij de vrijwillig(st)er die in de serre plaatsneemt. Hij/zij krijgt een andere tekst voorgeschoteld, ook uit ‘De golem’ van Gustav Meyrink, naar het schijnt nog abstracter dan de onze. Nou moe. Hij/zij hoeft niets te doen: er staat een stoeltje klaar, en een projectiewand waarnaar hij/zij moet kijken. Wij, de toeschouwers, mogen dat ook (de serre is doorzichtig), maar worden in tweede instantie uitgenodigd ook de vrijwillig(st)er waar te nemen. Op die manier ontstaat een driehoeksrelatie die de schijn van transparantie uitdraagt, maar in feite een leeg omhulsel is omdat er niets daadwerkelijk in plaatsvindt. Hetzelfde kan overigens over de tekst gezegd worden. Onze vriend de golem kan het in de geluidsopname goed uitleggen, maar contempleert vooral, en gaat zelden over tot daden. Hij beschouwt, staart in het rond, vraagt zich af of hij nu zitten of liggen moet. Futloos en ongemotiveerd schuift hij door het hervonden leven – om maar te zeggen dat enthousiasme ver te zoeken is, ook in de toon. ‘Serre’ is geen opgewekte voorstelling, op die enkele keer na wanneer het gevoel van innige verliefdheid wordt opgeroepen, met een begeleidend frivool muziekje en aan vlinders rappelerende glitterconfetti. Maar verwacht vooral een grote zoektocht in de duisternis.
Want uiteindelijk richt de golem zich dan toch op van zijn luie krent en gaat in een ongeïdentificeerd niemandsland vol moerassen en kraakpanden op verkennings- dan wel op ontdekkingstocht, die tegelijk een grote herinnering blijkt te zijn. Aan toen hij nog écht leefde, en het vlees en de botten nog comfortabel zaten. Dat is nu niet meer zo. Hij is een tot leven gewekte mummie, zo u wil, en moet zich aldus zien te redden. Niet verwonderlijk dat hij niet uitgaat, en met niemand omgaat. Dat naturalistische isolement sterkt zijn motivatie voor verwondering echter, waar hij vervolgens een elegie op afsteekt: ‘Wachten op een wonder, kent u dat niet?’ en ‘Niets zo goed als de grond die van onder je voeten wegscheurt’. De voorstelling is op zijn best wanneer het de toeschouwer aanmaant alles te vergeten en zich over te leveren aan het kleine wonder waarvan hij op dat moment getuige is, en bij uitbreiding aan alle mirakelen van de spelingen der natuur. Zij doet dat zelfverklaard bij wijze van ‘het sluipend gif van de suggestie’, zoals te lezen valt op de welbekende tekstborden. Op de projectiewand zien we een alienachtige schim tegen een gifgroene schaduw, en wij menen tot tweemaal toe een vleermuis voorbij te zien vliegen. ‘Serre, het begin’ stimuleert tot het verzinnen van andere verhalen bij het kernverhaal, en daarin ligt misschien, inderdaad, de kern van zijn bestaan.
De mysterieuze wasem en de niet-chronologische vrijheid met betrekking tot alle compartimenten, waardoor er in het ene medium kan vooruitgewezen worden naar het andere, vormen de troeven van ‘Serre, het begin’. De toeschouwer of toevallige wandelaar geraakt echter snel de draad kwijt bij het verhaal, hoe minimaal dat ook is, krijgt maar geen greep op de beweegredenen van het hoofdpersonage, en bij uitbreiding op die van de voorstelling. Waarom werd die gemaakt? Waarom zou u die niet mogen missen? Er zijn wel enkele clous: een intimistische zone te scheppen waar we, op de grens tussen druk kruispunt en vredig park, even kunnen verdwalen in aloude vragen over leven, dood en doodsverlangen. Waar we even kunnen huiveren bij schrikwekkende beelden, ook al moeten we die zelf oproepen. Meer reddende houvasten vinden we niet, en dat is niet eens een probleem hier, aangezien de installatie en haar aangeboden mogelijke wereld kleinoden zijn die het zich kunnen permitteren het daarbij te laten. Toch verwachtten we iets meer. Noem ons veeleisend, maar het is allemaal niet ‘dwingend’ genoeg. Als je naar theater gaat, hoe minimalistisch geconcipieerd ook, verwacht je steeds weer bij de strot gegrepen te worden, en het is daar waar de voorstelling tekortschiet. Misschien biedt het vervolg wel soelaas en verdieping?
‘Serre, het begin’ belichaamt, meer dan een echte voorstelling, veeleer een biologisch experiment met enkele uitstappen naar filosofie, sociologie, literatuur en zelfs taalkunde, en in die zin stemt het even tot nadenken, maar nooit voor erg lang. Het is allemaal onvoorstelbaar mooi, als we eens een zogenaamd dubieuze parameter mogen gebruiken, dat wel: tekst en bijhorende stem doen bijwijlen zwijmelen, en de sobere maar erg goed gekozen belichtingseffecten en decors maken het plaatje compleet en erg leuk om naar te kijken. ‘The true mystery of the world is the visible, not the invisible’ zei Oscar Wilde al, en zeggen dat ‘Serre, het begin’ helemaal parallel loopt met deze uitspraak, is misschien overdreven: daarvoor is het teveel op etherische leest geschoeid, en wil het nog teveel verwezenlijken buiten het zicht-, tast- en hoorbare wonder. Maar het is wel wat blijft hangen. Dat en de dekentjes natuurlijk.
P.S. Blijf zeker zitten tot op het punt dat iedereen alweer weg is. Een blakende nachtwaker zal zich op de projectiewand aan u openbaren zoals u er nog nooit een gezien heeft. Shalom.
Gezien op locatie in het Koning Albertpark te Antwerpen. www.toneelhuis.be
Een tekst van: Gustav Meyrink, De golem (1915).
Een performance van: Peter Misotten en Peter Vandemeulebroucke
Een productie van: Het Toneelhuis






