Johan Knuts is met deze regie niet aan zijn proefstuk toe. Na de Vier seizoenen, Edelfinger en Drie blinden, komt hij opnieuw voor de dag met een ontroerend en herkenbaar stukje menselijke ellende dat schippert tussen hoop en wanhoop. Lachstuk kwam tot stand onder de productionele vleugels van Toneelgroep Ceremonia en in fijn gezelschap van collega-acteurs Hendrik Van Doorn en Ineke Nijssen. Het is een aangename verrassing dat doorheen de weldadige schaduw van Eric Devolder nog andere plantjes kunnen opschieten, ook al wortelen ze in dezelfde onuitputtelijke en vruchtbare bodem van hartenpijn en zielenleed.
De vorm is eigenlijk heel eenvoudig: de personages dialogeren en spelen niet met elkaar, maar debiteren afwisselend en onderbroken door muzikale interludia hun monologen voor het publiek. Die muziek is aanstekelijke surf pop uit de jaren ’60, wat in combinatie met de kostuums en gedimde belichting, de situatie naar een gezellige, kommerloze en ouderwetse tijd katapulteert. De muziek leent zich in elk geval perfect tot de spastische, twisterige danspasjes, waarvan de uitbundigheid de personages eerder uit elkaar lijkt te drijven, dan samen te brengen. Het speelvlak staat vol lege flessen drank en suggereert een dansvloer in een nachtclub. Of een metaforisch mijnenveld, waarin de personages Rupert en Velma zich proberen staande te houden, zonder brokken te maken. Beide zielen kunnen in hun pogingen tot toenadering inderdaad beter de flessen ontwijken, denken we er dan bij, wat niet geheel lukt zo blijkt.
Een stuk om te lachen dus en dat is niet verwonderlijk voor wie de grappige kwaliteiten en het veelzijdige acteertalent van de geoliede tandem Nijssen-Van Doorn kent. Maar wie burleske billenkletserij of fijnzinnige taalhumor verwacht, komt bedrogen uit. Geen klassieke komedie, dwaze kolder, spitante stand-up of vrolijk geëngageerd cabaret, maar theater met een lach en een traan in de goede Ceremoniatraditie.
De humor in Lachstuk zit evenzeer in het spel, de mimiek en gebaren als in de komische woordspelletjes en ander talige geinigheden, maar is uiteindelijk niet meer dan een laagje vernis op de trieste levensgeschiedenis van Rupert en Velma. Dat de humor niet altijd even goed werkt – dat is logisch aangezien humor ook een kwestie van persoonlijke smaak is- is daarom niet zo erg: er is meer aan de hand. De voorstelling probeert niet de psychopathologische symptomen van de twee sociaal geïsoleerde personages te verklaren, maar des te overtuigender de desastreuze gevolgen ervan te schetsen. De vraag die zich opdringt is hoe die twee sukkels, na het aanhoren van hun beider verhakkelde autobiografietjes –die eerder overkomen als een therapeutische zelfanalyse-, er zullen in slagen van elkaar te vinden. Die zoektocht wordt vooral ook ruimtelijk uitgebeeld in een hilarisch spel van schuifelen, dansen, kijken en ontwijken. Als één lange paringsdans, maar dan zonder prachtige pauwenstaart, want veel hebben ze elkaar niet aan te bieden, tenzij elkaars trauma’s en obsessies.
Maar als Rupert en Velma elkaar op het einde dan toch vinden, tijdens een kleverig walsje op het obligate slowmoment, besluit Velma de betovering te doorbreken en trapt ze het af. Waarom is onduidelijk. Zij gaat naar huis; “bij het gasfornuis”, zegt ze erbij. Als Rupert twijfelt of hij zal aanbellen is het even onduidelijk of Velma de deur zal opendoen of de gaskraan zal opendraaien. Dat halfopen einde countert de happy ending waarop de ontwikkeling leek aan te sturen en dat is daarmee ook de sterkte van het verhaal: in de verbeelding van de toeschouwer kunnen de twee aparte zich moeizaam naar elkaar toewerkende verhaallijnen van Rupert en Velma betekenisvol kruisen. Want op scène komt het er niet volledig van, daarvoor zitten beiden te vast in hun eigen wereldje. Een wereldje dat een zorgvuldig afgeschermde cocon blijkt te zijn, geregeerd door uitputtende zelfanalyses, die elke vorm van zuurstoftoevoer van buiten afweren. Rupert is een seksueel gefrustreerde eenzaat die masturbeert en schijt op openbare plaatsen; Velma sukkelt van de ene mislukte affaire in de andere en bovendien lijdt ze aan het “borderline-syndroom”, een persoonlijkheidsstoornis met symptomen als verlatingsangst, relationele instabiliteit en impulsieve en zelfdestructieve neigingen, om maar iets te noemen. Nijssen weet met Velma hiervan een heel overtuigende praktijkcasus neer te zetten.
Die psychiatrische context is naar acteerstijl vertaald en met betrekking tot de verhouding acteur-publiek, ook een inspirerend gegeven. Velma schreeuwt voortdurend in de ik-persoon om de aandacht van het publiek en laat een onberekenbare wispelturigheid hoogtij vieren. Rupert raast er op los in een vreemd soort derdepersoonsperspectief, waarin de verwijten en diagnoses van zijn omgeving weerklinken als een niet geheel overtuigende vorm van zelfverwijt. Als toeschouwer wordt het luisterend oor tegelijk het oor van menig therapeut of maatschappelijk assistent. Maar de toeschouwer kan ze niet helpen, dat niet.
gezien in Nieuwpoorttheater, 2 juni 2007






