
(c) Lieven de Laet
In Decreation laat Forysthe het concrete, verhalende materiaal vibreren en verdampen in een ruimte waarvan de coördinaten voortdurend op losse schroeven worden gezet door de gedecentreerde, ontregelende bewegingen en plaatsbepalingen van zijn technisch uitmuntende dansers. Het resultaat is een fascinerend spektakel met aan de ene kant een voor hedendaagse dans ongewoon hoge leesbaarheidsfactor en aan de andere kant, een eigenzinnige bewegingstaal die zowel tekst, dans, beeld en muziek vloeiend integreert tot een eigentijds Gesamtkunstwerk. Die perfecte, minutieus getimede versmelting zorgt ervoor dat het geheel geen seconde verveelt. Forsythe laat daarbij op een originele wijze zien hoe het antieke begrip mousikè –zoals de Grieken hun eenheidskunst van gedicht, muziek en dans noemden- er vandaag kan uitzien.
Forsythe bevraagt voortdurend het medium dans, met wortels in het klassieke ballet, en de rol van de uitvoerende dansers. Deconstructie is daarbij –in tegenstelling tot andere, pretentieuzere, hedendaagse choreografen- geen leidprincipe als doel op zich, maar een middel tot, dat zich verhoudt tot een bredere narratieve context. In Decreation komt dat vooral tot uitdrukking in een wervelend, centrifugaal massaspektakel wars van structurende, strakke patronen, maar vol van krioelende lichamen die eerder een centrum in zichzelf lijken te zoeken, dan een ordenend punt of verbindende lijn in de ruimte.
De voorstelling begint explosief. De ogenschijnlijk chaotische kronkelingen van de dansers lijken nog het best georchestreerd door een reeks ontploffingen, waarvan de muziek –live op scène gebracht door de componist-pianist David Marrow- en het versterkte geluid van de bewegende dansers voor een passende, apocalyptische soundtrack zorgt. Doorheen de voorstelling valt op hoe de dansers zich proberen te ontdoen van hun eigen lichamelijkheid en fysieke beperkingen, alsof ze zich uit imaginaire knevels proberen te bevrijden. Monden, armen, rompen en hoofden lijken tevergeefs naar stabiliteit en evenwicht te zoeken. Groteske waanzin, die betekenis krijgt door de flarden tekst over liefde, verraad, vertrouwen en hartenpijn, die in een gefragmenteerd en niet altijd even duidelijk verstaanbaar discours, over de hoofden van de dansers worden gespuwd. Het gaat niet om concrete personages; herkenbare protagonisten die tegen elkaar worden uitgespeeld. Elke aanwezige danser lijkt op zich die gevechten tegen de ontwrichtende en kwetsende capriolen van het theater van de liefde te incarneren.
Liefde als strijd, als permanent conflict, wordt evenwel halverwege het stuk ironisch gecounterd door momenten van verstilling waarin pathetische, melodramatische acties en dialogen het publiek willen doen geloven in toenadering en verzoening. Forsythe laat hiermee ook elementen uit de showbizz, opera en film in het spel sluipen. Aan de kijker om, in confrontatie met het voorgaande, te kiezen waarin hij of zij zich het meest herkent. De schijnbare rust, samen met de algehele sfeer van heteroseksuele connotaties, wordt kort daarop subtiel onderuit gehaald door homoseksuele allusies, waarmee tegelijk de invulling van het begrip liefde een bovengeslachtelijke en universelere betekenis krijgt.
Die universele geladenheid wordt op het einde nog eens via een andere weg aangeraakt, door een soort van mythologisch ritueel dat de verterende maar ook zuiverende kracht van het vuur van de liefde verbeeldt. Op een grote, ronde tafel die met een houtskoollaagje is bedekt, voert een danseres een rituele zuivering uit, bezeten als zij lijkt door de waanzin van een onmogelijke liefde. Rond de tafel begeleiden de overige dansers haar innerlijke strijd met handgeklap, waarvan het geluid nu eens doet denken aan een knetterend vuur, dan weer –met wat vergezochte verbeelding- aan de weldaad van een blussende regen. Onder de tafel ligt een andere danseres die lucifers aanstrijkt, waarvan de vlam op een projectiescherm op het achterplan filmisch wordt uitvergroot. Vuur dat verteert, vuur dat zuivert. Een groot lichtpunt in het donker van de nacht.
gezien in Théâtre National, 24 mei 2007, in het kader van het KUNSTENFESTIVALDESARTS www.kfda.be
Choreografie: William Forsythe
Naar teksten van Anne Carson
Toneel: William Forsythe
Lichtontwerp: Jan Walther/William Forsythe
Muziek: David Morrow
Kostuums: Claudia Hill
Dramaturgie: Rebecca Groves
Video-ontwerp: Philip Buβman
Geluidsontwerp: Niels Lanz/Bernhard Klein
Presentatie: Théâtre National de la Communauté française, Kunstenfestivaldesarts
Productie: The Forsythe Company







