www.urbanmag.be/php/artikel.php
www.urbanmag.be/php/artikel.php
Vooral de recensie door Tom Van Imschoot is een zeer lang, gedegen en uitgebreid stuk dat alles uit Kamermuziek probeert te persen dat er in zou kunnen zitten – uiteindelijk komt de ‘boodschap’ van de roman dan ook volstrekt overeen met de ‘boodschap’ die de recensent heeft weten terug te vinden. En daarmee houdt het op: het is onmogelijk om meer uit Kamermuziek te halen: het boek is die interpretatie en vice versa – en dat gedeelde hamerslagen draait rond (zo vat van Imschoot het samen) ‘het bijna allegorisch weerspiegelen van de ontwerkelijking waaraan onze eigen tijd ten prooi is, onder invloed van de virtualisering’. Dat is niet niks! Het maakt het boek van Mennes tot ‘een boek van onze tijd’, en dat is ‘belangrijker dan de plotlijn of het mature spel met woord en beeld of de referenties aan hoge of lage cultuur’. Het waardenkader dat Van Imschoot dus hanteert is ook de opzet van Kamermuziek: wij moeten vooral boeken lezen of schrijven die zoveel mogelijk over onze huidige situatie vertellen – al de rest is eigenlijk bijzaak. Als dat het literaire criterium wordt, zowel voor de productie als voor de kritiek, dan is Kamermuziek er ‘inderdaad kloef op’ – het probleem ligt er echter in dat Kamermuziek zowel thematisch als structureel ‘van de tijd’ is: het boek is op dezelfde manier waardeloos als de waardeloosheid waar het over gaat. Ik heb het dan niet over ‘moreel-ethische’ thema’s – wij weten toch allemaal dat Mennes een superieure moralist à la Bret Easton Ellis is! Ik heb het over de enige ethiek die literatuur kan en mag opvoeren, en dat is de ethiek van de literaire kwaliteit. De perversie die uiteindelijk door Kamermuziek van de lezer wordt verwacht, is de volgende vier-stappen-beweging: dit is een boek over ‘de ontwerkelijking’ – er komen toestanden in voor die beweren werkelijkheid te zijn maar eigenlijk uit fictie bestaan – ook dit boek bevat diezelfde ‘plastieken’ mechanismen, uitentreure herhaald en tentoongespreid – en daarom is het een brandende ‘kritiek die de tijdsgeest pal tussen de ogen treft’ en ‘er (wat dat betreft) kloef op is’! In dat soort cynische beweging meegaan, is de literatuur aan de gieren van een vergevorderde moderniteit voeren – het maakt Mennes, en dat is schrikken, thematisch zeker tot een moralist, maar structureel is zijn literatuur verworden (niet dat het ooit veel beter is geweest) tot het niveau van een reality-soap.
Het sleutelwoord dat in deze discussie een cruciale rol speelt, is het begrip ‘werkelijkheid’ – het is meteen ook het ‘hete hangijzer’ van de (gehele) moderniteit. De vergevorderde emancipatie van de televisie, en het daaraan gekoppelde ‘ontwerkelijkingsproces’ is niets nieuw: de werkelijkheid heeft nooit bestaan, de werkelijkheid wordt gemaakt. Geen treffender werkelijkheid denkbaar dan die van het christendom, om maar één voorbeeld te noemen. Het probleem van de moderniteit is dat het maken van ‘werkelijkheid’ geen bestaansgrond meer heeft die niet buiten een hyperventilerend en immoreel kapitalisme is gelegen. Dat televisie werkelijkheid zou kunnen maken is (voor mij) geen probleem – het is bijvoorbeeld zeer goed mogelijk om gedeeltelijk te leven, te denken, te voelen en te spreken op basis van bijvoorbeeld Twin Peaks of – waarom niet – Terug naar Oosterdonk. Het is, daarentegen, onmogelijk om hetzelfde te doen met Temptation Island, Big Brother of Extreme Make-over. Dat komt (ten eerste) omwille van grensvervaging, een totaal achterhaalde aanspraak op relevantie en ‘actualiteit’ en het onterechte, ongecontroleerde en onaangekondigde verlies aan intentionaliteit: het is echt! het gebeurt nu! het is live! u bedient de camera!; en (ten tweede) omwille van een chronisch en schrijnend verlies aan kwaliteit, structuur, narrativiteit, diepgang, uitgebreidheid, onderscheid, versluiering, moeilijkheid, complexiteit.
Beide mechanismen zijn voor een groot stuk ook als een web over Kamermuziek te hangen: de nietsontziende drang naar ‘actualiteit’ en ‘relevantie’ (en naar het sociologische karakter van literatuur) die uitdraait op nauwelijks één mogelijke lezing – en dus op niets; gecombineerd met een nietsontziend verlies van (klassieke) literaire kwaliteit (en het tekstuele karakter van literatuur), op haar beurt gebaseerd op het grote niets.
Het is tijd om te catalogiseren en te citeren: een rudimentair, didactisch of zelfs kinderachtig overzicht van literaire kwaliteiten, gekoppeld aan wat er in Kamermuziek van terecht is gekomen – vijf keer S.
(a) Structuur: elke kunstuiting is in meer of mindere mate structuralistisch: er wordt een web van verwijzingen opgesteld, waardoor precies de mogelijkheid van betekenis ontstaat – en dus de mogelijkheid van een werkelijkheid. Structuur, net als werkelijkheid, bestaat niet – en om dat ‘gat’ op te vangen bestaat er kunst – niet, wat mij betreft, om duidelijk te maken dat dat ‘gat’ bestaat, want dat weten we ondertussen wel. Mennes heeft dat structuralistische mechanisme (want dat is het: een truukje) door, en hanteert het wel nog, maar dan met als onder- of achtergrond geen ‘culturele referenties’, maar het grote niets. Een voorbeeld is in Kamermuziek de volgende vraag die met de regelmaat van de klok opduikt: ‘Kun jij aan de je elleboog likken?’ Ha! De zin wordt opgepikt door mensen die niets met elkaar te maken hebben, en komt voor in totaal onverwante situaties – andere voorbeelden: keukenzout, zand, poedersneeuw, het alweer erg oudbakken ‘entropie’, Bambi, No Milk Today, puin, otters, of ‘Feldbiss’: het is een psychiater, en ook een breuk die een aardbeving veroorzaakt. Ja ja, ongelooflijk, dat verwijst naar elkaar! En dan? Het zou een motief kunnen zijn, ware het maar zo dat er een reden te bedenken valt waarom het überhaupt kan voorkomen. Ik slaag er niet in. Is dat dan niet het mimetische karakter van literatuur – in de wereld komen dergelijke toevallige herhalingen toch ook voor? Toch niet: literatuur heeft de chaos van de wereld altijd nagebootst in die structurende mate dat er een werkelijkheid totstandkwam. De werkelijkheid van Kamermuziek is daarom even ‘pseudo’, even ‘live!’ als reality-tv.
(b) Stijl: om werkelijkheid te maken helpt het als de elementen ons worden aangebracht in een stijl die ‘mooi’ is. (Onvoorstelbaar eigenlijk, dat dergelijke cliché’s of gemeenplaatsen (moeten) worden uitgepakt om een boek te (her)bespreken.) Zelfs als een taal wordt overgenomen die algemeen als ‘gedegenereerd’ wordt beschouwd, dan nog herneemt de auteur dit idioom op een eigen, geïnspireerde, ‘poëtische’ manier – het is precies die vernieuwde en vernieuwende herwerking die ‘werkelijkheid’ maakt, en die de literatuur een kritisch karakter kan verlenen. De stijl van Mennes wordt ‘hilarisch’ genoemd – het literaire genre dat beoefend wordt is dat van de satire. Is het mooie aan literatuur niet dat ze gevrijwaard kan blijven van de notie van ‘het hilarische’? En wat is precies het satirische karakter van een roman die elk hedendaags mediaal mechanisme uitvergroot tot een onherkenbare karikatuur? Niet iedereen kan een zinnenschrijver à la Nabokov zijn (we mogen niet teveel vragen), maar de zinnen van Mennes zijn ofwel zo hilarisch dat ze flauw worden ofwel zo emotioneel dat ze pathetisch worden. Eerste genre: ‘Die jongen achter de balie zet de airco altijd zo hard dat het lijkt alsof hij een lijkenhuis op de Noordpool runt. En als je al die mensen daar als zombies ziet rondschuifelen, kun je hem dat niet kwalijk nemen natuurlijk…’ Tweede genre:‘Ik wilde schreeuwen dat ik mijn greep op de realiteit kwijt was, dat ik nu een zeldzaam lucide moment had, dat ze me moest helpen. Ik deed het niet.’
(c) Samenleving – Kamermuziek wil uitermate sociologisch zijn, en slaagt daar best in. Als doorlichting van een aantal (mediale) mechanismen die het hedendaagse leven bepalen, is het zeer geldig – men leze daaromtrent de recensie van Van Imschoot. Maar tegelijkertijd is die hardnekkige nadrukkelijkheid ook het grootste gebrek van de roman: dat de ouders van Sam Penn hem aan de deur zetten zodat ze zijn kamer in de ouderlijke woonst kunnen laten herinrichten door een televisieploeg als biljartkamer, kan men grappig noemen – het is ook ontzettend overdreven. In een roman die toch ook een ‘psychologisch’ conflict wil schetsen (al is het dan exemplarisch voor onze samenleving) is dat inderdaad hilarisch! Maar is het niet zo dat de romans of de literatuur die ‘samenlevingen’ of ‘tijdsgewrichten’ schetsen, achteraf altijd die romans lijken te zijn die dit niet expliciet geprobeerd hebben? De Recherche is het retro-actieve dagboek van een verwende, door zichzelf geobsedeerde rijke neuroot – en net daarom is het het ‘beste’ boek over de eerste jaren van de twintigste eeuw. Don’t try – het stond al op het grafzerk van Bukowksi. Om echt iets te kunnen betekenen voor de samenleving moet literatuur, paradoxaal genoeg, volstrekt autonoom zijn.
(d) Standpunt: de ik-verteller van Kamermuziek heet Sam Penn. Het is mogelijk die naam of dat personage te betrekken op Paul Mennes, maar dan wel op de (bijna) bekende Vlaming Paul Mennes, die wij kennen uit de openhartige interviews die hij gaf over zijn psychische problemen en zijn writer’s block – over de auteur van deze tekst, de vertelinstantie, gaat het dan nooit. Is het niet vreemd dat een tekst die de ‘ontwerkelijking’ wil aanpakken of althans toch bespreken, nergens het eigen ‘fictionele’ karakter indringend – structureel – in vraag stelt of zichtbaar maakt? De – in zichzelf trouwens ontzettend doodgekauwde – vraag stellen ‘merken mensen dat ze gek worden, terwijl ze gek worden?’, volstaat niet om iets te ‘ontdubbelen’ of een kader te kaderen. Eigenlijk is het vertelstandpunt van Kamermuziek het klassieke Holden Caulfield-principe uit The catcher in the rye van Salinger: jongeman vertelt in zijn eigen taaltje over zijn eigen problemen met de wereld rondom hen, in het begin nog letterlijk tegen een psychiater, later niet meer. Men heeft dat ‘verteltechnisch briljant genoemd omdat het hoofdpersonage zichzelf kan introduceren als iemand die “last van zijn gedachten” heeft.’ In die zin is een roman schrijven briljant omdat de taal gebruikt worden om zinnen op papier te zetten.
(e) Sérieux: het grootste voordeel van Kamermuziek is misschien nog, dat men er zeer snel mee klaar is. Het is een korte roman – weinig bladzijden, veel witte ruimtes, veel korte woorden die het vertellen onderbreken. Wat voor een vertellen is het trouwens dat zich laat verdringen door alleenstaande, rechts uitgelijnde woorden? Waarom begint men er dan aan? Uiteindelijk is dat het aspect dat Kamermuziek het meest naar een flauw televisieprogramma doet neigen: het wil niet lang zijn, het wil niet complex zijn (het suggereert complexiteit), het wil niet moeilijk zijn – en het wil geen klassiek lees- of tekstplezier bieden. Wij weten ondertussen wel wat literatuur is, wij weten wat leesplezier oplevert en hoe teksten werken – waarom zou dat onderbroken moeten worden of ‘opgeladen’ met extra-literaire elementen, die de werking en de ervaring, het sérieux en de weldaad van de literaire werkelijkheid alleen maar ondermijnen. Noem dat gerust een conservatief of reactionair appel. Maar als ik echt ‘hedendaagse mechanismen’ (gespiegeld) wil zien – zowel thematisch, structureel, stilistisch, sociologisch en verteltechnisch, bezit ik genoeg kritische afstand om eenvoudigweg naar VT4 te kijken. Graag zelfs!

Paul Mennes, Kamermuziek, Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2007. ISBN: 978 90 388 49461






