Het schilderij van Géricault, ‘Het vlot van de Medusa’, staat centraal in dat veelluik. Het biedt een van de rode draden in zowel boek als voorstelling, eenheden die op tekstueel gebied – we kennen Guy Cassiers’ werkwijze onderhand – dezelfde blijven, maar dat hoeft uiteraard geen belemmering te zijn. Noem het eerder een constante, of om het met een woord uit de jaren tachtig te zeggen, een ‘handelsmerk’.
Datzelfde doek staat ook centraal in het eerste luik van deze avond, uitgedacht en verzorgd door Wayn Traub. Het moet gezegd dat dit onderdeel meteen ook het ‘minste’ is over de hele avond. Een aantal oorzaken liggen aan de basis. Zo is de overall aanpak van deze adaptatie van hetzelfde hoofdstuk in het boek – ‘Schipbreuk’ – minder effectief dan in zijn literaire vorm. Barnes weet namelijk een dergelijke pedante toon te leggen in zijn semi-geleerde analyse van het schilderij, dat die minstens even meesterlijk is als het object van zijn analyse. Traub is echter een stotterende, met een met opzet aangewend, licht Frans accent docerende schoolmeester, die de aandacht van zijn publiek geen moment weet te vatten. Dat komt doordat hij niet bepaald een begenadigd acteur is – met, ik zeg maar wat, Josse De Pauw als uitvoerder, was het effect waarschijnlijk níet uitgebleven, d.i. de toehoorder bij zijn nekvel pakken en hem dwíngen op een bepaalde manier naar het schilderij te kijken. Al is dat ook geen sinecure, in een zaal (de Foyer) die het collectieve publiek bijeenpakt. Teveel volk, jawel, zelfs voor zo’n potentiële Josse. De verstekelingen op de achterste rij horen geen moer van wat die arme Wayn staat te orakelen, en geven er zodoende evenveel om. De neiging om dit onderdeel te spijbelen bekruipt me even, tot de schoolbel verlossing luidt.
We worden in trossen van om en bij de dertig gelost, om de rest van het parcours in roulatie te volgen. Geen slecht idee. Hoezeer de gezamenlijke bijgewoonde lecture van de heer Traub ook een onmiskenbare verwelkomingsfunctie beoogde, waarop in goede middens vervolgens de receptie voor geopend wordt verklaard, wat volgt is van een intimistische begeestering die omgekeerd evenredig is aan het koude geklungel uit dat eerste deel.
Ariane van Vliet zit daar voor veel tussen. Hoewel je als niet-lezer van Barnes’ boek (ondertussen heb ik die schade ingehaald) niet bijster veel begrijpt van wat ze zegt, of van waar ze naartoe wilt, doet dat er in the end ook niet echt toe. Haar bijdrage aan ‘Een geschiedenis…’ is zoals het is: meestal dobbert het, zoals de hoofdfiguur, op een bootje, niet wetend wat de bestemming moge zijn – als er maar geen vleeseters, al te veel mannen of koude oorlogen in de buurt zijn, oftewel de enige parameters die zij ons aanbiedt. Het zijn de kapstokken in een kaal verhaal dat het moet hebben van het enthousiasme en de warme fluistertoon waarmee Arianes personage (Kath!) over haar twee katten (!) vertelt. Of van de herkenbaarheid die ons als male chauvinist pigs massaal doet blozen wanneer haar in dat opzicht prototypische partner aan bod komt. De locatie voelt in het begin vreemd aan: Van Vliet staat in een goederenlift, als in een arena; nét op het moment dat wij de duim naar beneden willen draaien, maakt de lift dezelfde beweging, wat maakt dat de afstand van speelster tot publiek spectaculair groter wordt. Die ruimtelijke verwijdering is als het ware ook een schisma in het verhaal, in die zin dat het het moment symboliseert waarop de vertelster de grip op de realiteit, na zo lang op zee en zo weinig te eten, onherstelbaar verliest. Ze begint kattenvoeding te eten, en identificeert zich ook op andere manieren met haar enige metgezellen (hoewel, het moet gezegd, dat in het boek nog veel meer het geval is; laat die opmerking overigens een niet zo erge constante zijn met betrekking tot de gehele voorstelling). Ze begint in haar nachtmerries bezoek te krijgen van mannen die haar pijnlijk duidelijk maken dat ze die hele nucleaire ramp waarvan ze weggevlucht is, gewoonweg verzonnen heeft. De stem in haar hoofd gebruikt een woord dat Barnes in zijn manifest over de wereldgeschiedenis (veelvuldig afgedrukt in een Toneelhuisbrochure near you) trouwens ook bezigt: ‘fabuleren’. Dat betekent zoveel als ‘een waargebeurd feit overhouden en er verzonnen gebeurtenissen aan vastknopen’ – een beetje zoals (mannelijke) geschiedschrijvers doen. Et voilà, de modale oplettende toeschouwer heeft meteen een rode draad voor de voorstelling te pakken, die hem van de kelder één verdieping hoger zal brengen net wanneer Kath vredig in slaap valt.
Sidi Larbi Cherkaoui’s opstelling – een trampoline, sfeervolle belichting, twee dansers – staat ons al op te wachten, want the show must go on. Het meest lichamelijke onderdeel van het totaalspektakel is er één waar je geen spijt van hebt, al is, de tekst uitgezonderd, het verband met de andere mini-voorstellingen niet meteen duidelijk. Misschien ook omdat ik het bewuste ‘halve’ hoofdstuk (net zoals Cherkaoui’s voorstelling ‘Intermezzo’ geheten) in Barnes’ boek nog moet lezen. Want ja, ik geef toe, ik heb mijn huiswerk niet gemaakt. Maar dat geeft niet, want je kan er immers donder op zeggen dat Cherkaoui dat hoofdstuk toch ‘verdanst’ heeft, en ook dat geeft niet. Literatuur die dans wordt: een wereld waarin zoiets mogelijk is heerlijk om in te vertoeven. En het moet gezegd: de manier waarop de dansers aan hun personages gestalte geven, is van een uitzonderlijke klasse. Mimiek en timing zitten helemaal goed; zij zijn de instrumenten waarmee de dansers – die soms acteurs worden – een romantiek opwekken die doet denken aan het beste van Cirque du Soleil maar dan zonder melig te zijn. En voor de choreografie schieten woorden tekort. Ik hou het op ‘mooi’ en ‘van een lichamelijke perfectie die de Olympische atleten in hun naakie zetten’ – niet bijster origineel, zij het de tweede beschrijving meer dan de eerste. En nu stop ik maar, want ik zal wel nooit een goede dansrecensent worden.
Benjamin Verdonck is het ondertussen gewend om boten te bouwen en in masten en (kraaien)nesten te kruipen, maar daar een Bijbelse wending en inhoud aan geven, nee, dat was voorheen ongezien. En toch doet hij het! Zijn voor de gelegenheid gehanteerde tics doen onvermijdelijk aan Dirk Roofthooft denken, maar passen wonderwel bij het schepsel dat hij is. Al krijg je die pointe pas op het einde mee: het gaat over de houtworm. Deze vermaledijde speling der natuur is ongemerkt aan boord van de Ark van Noah gekomen, wat de titel ‘Verstekelingen’ moet verantwoorden. Tegelijk zijn wij, species van het menselijke ras en dus allemaal nakomelingen van Noah, evenzeer ‘Verstekelingen’, want op een betweterige toon vertelt de houtworm ons over onze misvattingen aangaande het klassieke Ark-verhaal, en over hoezeer wij graag de waarheid verbloemen om problemen uit de weg te gaan. ‘Fabuleren’, opnieuw.
De tekst is subliem, en het (eerste) hoofdstuk in Barnes’ boek verdient zeker en vast een aanvullende lezing, maar de setting is veruit het verdienstelijkste wat de scenografen voor deze voorstellingen hebben uitgewerkt. Opnieuw in de kelder van de Bourla aangekomen, begeven wij ons letterlijk in de catacomben van onze hedendaagse cultuur, the very base-ment van al wat wij kennen. Is het niet zo dat, ook al zijn wij ondertussen verlichte en geseculariseerde wezens van onze tijd, de oudste verhalen ons nog steeds een houvast bieden? Tegelijk verhindert dit inzicht ons niet om ons te voelen als Romeinse slaven in een galeischip. Een associatie waar de makers wellicht blij om zijn. De hele locatie is werkelijk levensecht, een angstig oergevoel bekruipt je. De geluidsband voorziet een soundtrack van krakende scheepswanden en touwen, die ook echt te zien zijn. Ik ben toe aan een scheut rum, en gelukkig is de verteltijd in deze voorstellingenreeks korter dan de vertelde, zodat die inmiddels ergens aan de horizon staat te wachten.
Afronden dan maar? In het midden al? Wat dan met de creepy blinden die je overal in de nauwe gangen doorkruisen, Ben Segers van Olympique Dramatique die als vermoord op een trap onderweg zit uit te rusten, die portiers die lijken te zijn weggelopen uit ‘The Shining’? De steeds voller wordende emmers die hoger worden gestapeld naarmate we in het gebouw afdalen, en die ons een nieuwe zondvloed afkondigen? Terwijl we allemaal dachten dat het gewoon een sanitaire lek betrof, zo ter hoogte van het tweede onderdeel?
Om nog maar te zwijgen van de hilarische rechtszitting, voorgezeten door rechter Vic De Wachter (in roulatie met Gilda De Bal) en met Stefan Perceval en Peter Seynaeve als advocaten van respectievelijk de burgers van een 16de-eeuws Frans dorpje en een bende maligne…houtwormen. Al is dat net de inzet van dit kolderesk gerechtsdrama: het al dan niet kwade opzet van deze aparte klasse van het dierenrijk, die tegen alle verzet in maar niet wil uitsterven. Er wordt, door de advocaat van het dorp, zelfs geargumenteerd dat zij geschapen zijn door de duivel… en dus de intentie hadden om (luister nu goed) ‘in het gestoelte van de bisschop van Besançon te infiltreren, naar hun duistere doel toe te werken en de bisschop om te werpen, zodoende hem in een staat van imbeciliteit te plaatsen’!
De premisse van deze rechtszaak lijkt wel uit een moderne soap te komen; niet erg flatterend als we het over de evolutie van de menselijke soort dreigen te hebben. Komt daarbovenop dat de advocaat van de houtwormen nog eens vastzit in zijn lift – rekwisieten om het ‘Advocaat, sta op’-principe gestalte te geven in de grote zaal, waar we inmiddels zijn aanbeland. Een technisch accident? De rechter die improviseert dat hij ‘om een technicus zal roepen’? Stefan Perceval die ongewild in de lach schiet bij het aanzien van zijn ongelukkige collega? Niets is minder waar – van horen zeggen liep het tijdens de try-out ook al zo. Tenzij zoiets twee keer misloopt. Dan moeten er dringend maatregelen genomen worden.
Tenzij bovenstaande farce geënsceneerde slapstick is in een schijnbaar ongepaste want bloedserieuze context (zoals in het slotstuk), ontgaat de pointe me een beetje. Net zoals met 'De berg’, door Lotte van den Berg. Het moet aangenaam zijn om een deel van je naam in de titel van je voorstelling te kunnen stoppen: verder kwam ik niet na het aanschouwen ervan. Behalve dan dat die enge blinde mannen en vrouwen die ik al in het begin tegenkwam, nu allemaal, één voor één opkomen. Sociaal-artistieke zendingsdrang? Ze lijken ‘Het vlot van de Medusa’ zoals Géricault het heeft geschilderd in een soort tableau vivant te willen vervatten – daar lijkt het toch op. Alleen: het corresponderende hoofdstuk in het boek heeft totaal geen uitstaans met deze episode, zodat het waarschijnlijk weer op ‘aftasting van de perceptie’ zal uitdraaien. Zoals: mijn blinde perceptie wanneer het op volledig tekstloze stukken aankomt? Uw woorden, niet de mijne.
Voor het einde kon je maar beter over je volle gezichtsvermogen beschikken. De afgelezen tekst is die uit het boek, niet eens geresumeerd want het betreft hier een kortverhaal van een achttal bladzijden. Maar de gegrimeerde kop van Julian Barnes himself in de begeleidende videoloop moet je zien, al staat deze niet centraal. Centraal in de inkomhal, met de toeschouwers op de trappen, is een aquarium geplaatst door Peter Misotten en De Filmfabriek, met daarin vier acteurs van Olympique Dramatique, gezeten op een houten mini-stoeltje en uitgedost als… het bandje dat niet ophield met spelen toen de ‘Titanic’ verging.
Naarmate het verhaal vordert van de heroïsche lafbek Lawrence Beesley, die ontsnapt is aan de ramp door zich in vrouwenkleren te hullen, begint de situatie in het aquarium in zijn toenemende prangendheid steeds dolkomischer te worden. Met magnifieke mime worden de personages clowns in de traditie van Buster Keaton, Charlie Chaplin en Peppi en Kokki. De stilaan vollopende aquarium brengt de bewoners ervan in nauwe en vooral natte schoentjes. Wanneer het water hen aan de lippen komt, vinden ze er niet beter op dan hun onafwendbare verdrinkingsdood om te toveren in een plezante plenspartij. Niet met muziek, maar met circustrucs, salto’s en pirouettes bezorgt deze vierkoppige groep het aanwezige publiek zijn laatste amusement, waarna met openslaande deuren de cateringdienst de dienbladen met sterk water op komt aanrukken. In gedachten weerklinkt engelengezang, het laatste oordeel en tevens onderdeel is geslagen. Als we toch ten onder gaan, steeds weer opnieuw op de golven van de tijd, dan maar beter met een stevige borrel. On the rocks, want een ijsberg die is altijd in zicht, althans het topje ervan.
Deze voorstelling voelt aan als een zevengangenmenu compleet met aangepaste wijnen en een digestiefje achteraf. Dat laatste mag je dus letterlijk nemen. Zodat we alleen maar kunnen concluderen dat kapitein Guy Cassiers en zijn voltallige bemanning, op enkele halve missers na, het schip inmiddels stevig op koers hebben gezet en dat op volle kruissnelheid. Onder voorbehoud, weliswaar. Doe de emmers nog eens vol!
Gezien op 7 april 2007, in de Bourlaschouwburg te Antwerpen. www.toneelhuis.be






