
De voorstelling opent met filmbeelden van het Eichmann-proces, waarin een rigide en serene Eichmann zijn rol in de jodentransporten naar de concentratiekampen tijdens WO II toelicht. Hannah Arendt omschreef Eichmann, in een rapport over het historische proces, als een soort gedachteloze robot, waarmee ze zich overigens de woede van menig rabbijn op de hals haalde. Eichmann was toch gewoon slecht, een monster, wou iedereen horen? En Heidegger die lid was van de NSDAP en onder Hitler’s regime gewoon in zijn ivoren toren bleef doorwerken en niet verlegen was om een anti-semtische uitspraak?
Met deze twee kwesties raakt de voorstelling aan de essentie van het denken over het denken: valt het los te koppelen van het handelen? Indien ja, dan tonen beide gevallen aan dat het tot (medeplichtigheid) aan wreedheid leidt: Eichmann die het denken uitschakelt terwille van de wrede doelmatigheid en Heidegger die het handelen (tegen de wreedheid) uit de weg gaat terwille van het denken, in zijn geval het onderzoek naar het wezen van de dingen des levens, het Zijn. Het deed Arendt besluiten dat denken en handelen evenwel onlosmakelijk verbonden zijn. Het Heideggeriaanse “in-de-wereld-zijn” betekent handelen. Het samen-leven en dus samen-zijn noopt tot handelen, waarvan de enige waarde de ethische en poitieke gevolgen zijn. Dat wordt bovendien met zeldzame en hilarische Monty Python televisiefragmenten ondersteund. In een geënsceneerde voetbalwedstrijd tussen de Groten der Griekse en Duitse filosofie, gebeurt na de aftrap niets. Alle spelers beginnen luidop na te denken totdat Archimedes met zijn “eureka” ontdekt dat er moet gehandeld worden en de bal in eigen doel schopt. Juist handelen is evenwel nog een andere zaak, lijken de Pythons te suggereren.
Hoewel in de voorstelling uit de anekdotiek van de liaison tussen Heidegger en Arendt wordt geput met brieven en dagboekaantekeningen, prikkelt hun verhouding de verbeeldingskracht vooral door een intelligente enscenering. De focus ligt op het verhaal van Arendt terwijl Turbiasz als Heideggerpersonage voornamelijk fysiek aanwezig is op scène en vanaf de zijlijn ietwat onverschillig toekijkt. Een rol waarin hij ook nog eens de videoprojecties voor zijn rekening neemt (terzijde een speels en pienter doorprikken van de theaterillusie). Turbiasz heeft slechts twee Heideggeriaanse monologen in de vorm van beschouwingen over de fuga’s van Bach en de prestaties van de Duitse stervoetballer Beckenbauer uit de jaren 1970. Daarmee vertolkt hij zowel de essentie van zijn filosofie als een wijze van origineel en fundamenteel denken, als de blijvende invloed die hij op het denken van Arendt heeft uitgeoefend. En laat nu net die intense en onuitwisbare aanwezigheid de basis zijn, niet van een liefdesaffaire, maar van echte liefde, of ze nu menselijk of filosofisch is.
Op een bepaald moment zegt Arendt dat in de liefde denken en handelen samenvallen, net zoals in het acteren de afstand tussen acteur en personage verdwijnt. Het heeft alvast tot gevolg dat op acteertechnisch vlak een magistrale prestatie wordt neergezet door Carly Wijs (de liefde voor het acteren!), die voor negentig procent de voorstelling draagt. We zien een actrice die zowel handelend en denkend, samenvalt met haar personage, en een geloofwaardigheid neerzet waar menig theaterliefhebber week van wordt. Kortom, What is thinking? bewijst dat filosofische vragen, mits de juiste zegging, prikkelend en helder kunnen worden vertolkt op een scène, zonder enige filosofische bagage van de toeschouwer te eisen en dat is meer dan verdienstelijk. Gewaagd maar geslaagd dus.
Gezien in de Kaaitheaterstudio’s, donderdag 29 maart 2007






