De voorstelling van Tarek Halaby en Sue-Yeon Youn had ook ´Ways to die´ kunnen heten. Het lijkt wel alsof ze een hele resem films bekeken hebben en daaruit de sterfscènes geselecteerd hebben om die vervolgens allemaal na te bootsen. Toch is er meer aan de hand. De korte sketches beelden de ups en downs in een relatie uit, de haat-liefdeverhouding. Ze kunnen niet met maar ook niet zonder elkaar leven. Op bepaalde momenten worden ze als een Siamese tweeling en gaan ze volledig op in elkaar. Ze worden één stem, één lichaam, één persoonlijkheid.
Hoewel het element van de dood toch sterk aanwezig is in zijn stuk, had Halaby nochtans niet dood en geweld voor ogen bij het maken van dit stuk. Vanuit improvisatie zijn ze samen beginnen experimenteren en hebben ze zo uiteindelijk alle stukjes in een geheel gegoten. Gaandeweg is het autobiografische element erin gekropen en werd het stuk een uiting over zijn toenmalige relatie.
Door de sketchachtige opbouw van het stuk blijft er geen tijd voor echte personages of een evolutie over, maar dat hoeft ook niet. Vrijblijvend en komisch als het is, speelt hij voldoende met het element van transformatie en de onmogelijkheid om daadwerkelijk één te worden, zodat je toch niet het gevoel krijgt dat je op je honger blijft zitten. Het levert originele beelden op en blijft daardoor boeien.
Pere Faura beklemtoont meer het gevoel van eenzaamheid en exploreert de verschillende manieren waarop je daaraan probeert te ontsnappen. Hij gaat op zoek in zijn geheugen naar momenten waarop hij gelukkig was. Die momenten hangen ook vast aan het collectieve geheugen van een hele cultuur, en de filmbeelden en muziek moeten voor een gemeenschappelijke basis zorgen waarmee het publiek zich kan identificeren.
We zien Faura alleen dansen en horen off screen iemand instructies geven en een heleboel andere voetstappen. Dan wordt het filmbeeld eraan toegevoegd en zien we dat hij alles aan het imiteren is tot de filmdialogen toe. Zijn schaduw beweegt synchroon met de dansers in de film mee over het witte projectiescherm maar erin kruipen kan hij niet. De dialogen lijken eerst een conversatie met een off screen vriend. Wanneer we de acteurs op het beeld zien verschijnen, wordt de illusie doorbroken. Met het fragment uit ´Singing in the Rain´ vertrekt hij vanuit een wazige achtergrond. Hij probeert de illusie van de film te creëren, maar die wordt aan flarden geschoten door het stopzetten van de muziek en even later door de muziek te laten haperen. Op het einde wordt het filmbeeld scherp gesteld en zien we Gene Kelly in slow motion. De eenzaamheid blijft echter, aangezien de filmbeelden nooit het lege podium kunnen opvullen.
In een tweede fase kruipt Faura letterlijk en figuurlijk uit de fictie. Hij beseft dat hij zijn eigen leven moet leiden, dat de oplossing niet in fictie kan worden gevonden. Hij komt los van de groep, maar hij blijft aan het scherm gekluisterd. De eenzaamheid wordt ten top gedreven, wanneer hij zichzelf begint te imiteren door zich op het doek te projecteren en met dit op voorhand opgenomen filmpje een dialoog aangaat, samen te zingen en dezelfde dansbewegingen uit te voeren.
Via tijdsprongen het gebruik van beelden die tot het collectieve geheugen behoren creëert Faura zo een complex spel met het geheugen en de tijd, maar ook schippert hij tussen het groepsgevoel en het individu op zich. Die elementen krijgen vervolgens een persoonlijke toets, wanneer Faura een parallel trekt tussen verliefd zijn en auditie doen. Je bent niet alleen en tegelijkertijd toch wel. Je probeert je als individu te handhaven en te definiëren, maar de sociale druk blijft en zorgt voor moeilijkheden. Die exploratie van eenzaamheid vinden we ook in ´Act of Living – Catalogue of Failure´ van Nada Gambier terug. In beide voorstellingen blijft het echter speels en verliest de eenzaamheid zijn tragische karakter.
Wat als gedachte blijft nazinderen na dit dubbelprogramma is dat je identiteit nooit vastgelegd kan worden in één vastomlijnde definitie, dat die flexibel is en van moment tot moment verandert, afhankelijk van het gezelschap en de omgeving waarin je je bevindt. De eeuwige zoektocht naar jezelf en je positie binnen de groep.
Door Katrien Delcourt. Gezien in de Brakke Grond op 27 januari 2007. In het kader van Something Raw, Amsterdam.
CREDITS
concept en dans: Pere Faura,
video: Adnan Hasovic,
muziek: Ivo Bol,
licht: Ellen Knops,
dramaturgie: Jeroen Fabius,
productie: Gasthuis







