Meest recente artikels:
Summerschool Kunstkritiek
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Summerschool Schrijverspodium
Review Dit is mijn vader
Meer artikels van Sophia Van Parys:
De dood van een auteur
Nogmaals: 'Kamermuziek' van Paul Mennes
Over 'Tirza', 'Het derde huwelijk' en de 'actualiteit'
Het derde huwelijk van Tom Lanoye
66 vragen naar aanleiding van 'Het schervengericht' van A.F.Th.
HELP ME OP WEG
datum 17.03.2007
rubriek Literatuur
1. Het schervengericht, twee weken geleden verschenen, is de lijvigste roman van A.F.Th. Van der Heijden totnogtoe – het derde deel van De Tandeloze Tijd, dat in twee delen uiteenviel, niet meegerekend; in die twee boeken liepen tientallen personages rond, en hier gaat het om één man en zijn nemesis, gadeslaan door een Griekse god met een groot uitgevallen auteursfunctie – is het technisch en commercieel nog mogelijk om een roman in één band te publiceren die meer dan 1050 bladzijden telt, zonder dat het boek op een bijbel begint te lijken?

2. Wordt het ‘leven in de breedte’, zoals dat door De Tandeloze Tijd werd gethematiseerd of opgezocht, dan niet precies door die wijdlopige geconcentreerdheid van Het schervengericht gerealiseerd?

3. Het leven van A.F.Th. Van der Heijden is alweer een tijdje voorbij (om de ‘echte’ auteursfunctie voor even aan te halen) omdat het vervangen is door een schrijversbestaan – is Het schervengericht daarom, bij gebrek aan eigen ervaringen en door het fictionele gebruik van de levens van Roman Polanski en Sharon Tate, zijn eerste ‘postmoderne’ auteursroman?

4. Wat impliceert het voor de rest van een romancyclus als het tweede gepubliceerde deel al een volbloed satellietroman genoemd kan worden?

5. Valt daarom het ‘nulde’ deel – het in 2003 gepubliceerde De Movo Tapes – niet noodzakelijkerwijs in het water omdat het (in tegenstelling tot dit nieuwe vooralsnog ongenummerde deel) onmogelijk op zichzelf kan staan, en als ‘ouverture’ nauwelijks een roman genoemd kan worden?

6. Waarom is het zo moeilijk om als lezer het ‘gebruik’ van de echte werkelijkheid, en de echte moorden door Charles Manson in 1969, niet als een probleem te zien?

7. Alles wat door een mens geschreven wordt, hoe allegorisch of fictioneel ook, heeft wortels in de werkelijkheid – alle literatuur is per definitie in meer of mindere mate mimetisch – maar kunnen we als lezer griezelen, meeleven, walgen, opgewonden raken en leesplezier beleven aan (onder meer) een gruwelijke moord die is gebaseerd op de gruwelijke moord op een vrouw die ergens in L.A. begraven ligt?

8. Is er (lees)plezier mogelijk zonder dat er iemand – dood of levend – zich gebruikt of misbruikt mag voelen?

9. Is het mogelijk om te lezen zonder aan de werkelijkheid te denken – is het mogelijk om Het schervengericht te lezen zonder aan Roman en Sharon te denken?

10. Een vraag die Bart Vanegeren middels een recensie in Humo alleszins enthousiast met nee beantwoordde: is het mogelijk om Het schervengericht te lezen zonder aan ‘hedendaagse’, ‘actuele’ toestanden te denken?

11. Die seriemoordenaar Maddox (alter ego van Charles Manson), zo luidt de openlijk en oppervlakkig ‘literair-sociologische’ redenering, is een sleutel voor actuele terroristen als Volkert van der Graaf  en Bin Laden – zijn er tekstuele elementen in Het schervengericht terug te vinden die dergelijke interpretatie opleggen?

12. Als de eeuwenoude Griekse verteller, die alles, ook de ontmoeting tussen Maddox en zijn slachtoffer Remo, in scène heeft gezet, hierop zinspeelt, kan dit dan anders dan als een ironische zet gelezen worden?

13. Is het Van der Heijden niet in de eerste plaats te doen om de ‘vertellende’-annex-lectorale autonomie van de literatuur?

14. Is het in dat geval niet ontzettend paradoxaal om als auteur van ‘autonome’ en ‘affirmatieve’ fictie, hulp te zoeken bij de ‘mythologie van de moderne samenleving’, zoals Van der Heijden zich in het nawoord verantwoord?

15. Is er eigenlijk wel iets dat de lezer kan ‘meenemen’, onderstrepen of overnemen uit deze roman en dat hem of haar wijzer zou kunnen maken?

16. Is de volstrekte waardeloosheid niet een bestaansvoorwaarde van literatuur, die door Het schervengericht nogmaals met kracht wordt bevestigd?

17. De Tandeloze Tijd was – is – een schatkamer aan onvergetelijke scènes – biedt ook Het schervengericht, ondanks alle wortels in de ‘publieke werkelijkheid’, een even grote dichtheid aan ervaringen of langs de lectuur om, door de auteur uitgeleende herinneringen?

18. Herinnert u zich wat dat betreft nog de scène waarin Ernst Quispel in Advocaat van de Hanen met een gigantische kater ontwaakt op een van de Waddeneilanden, en het troebele zicht op een gedeukt blikje tabak aangrijpt om zijn generatie te brandmerken als ‘blasé om een houten been’?

19. Of de warme zomerdag waarop Albert Egberts in Vallende ouders samen met zijn vriendjes een handvol zand tussen de benen van het paard van de melkboer strooit, waarop het dier krankzinnig van de huidirritatie door de voorgevel van de buren springt?

20. Of de kleine Ljibbe, die door zijn moeder aan een ketting is getekend, en zich pas op het einde van De gevarendriehoek, samen met het ‘herinnerde’ kind in Albert Egberts, kan losrukken?

21. Wat zal over een paar jaar het equivalent van deze gebeurtenissen in Het schervengericht zijn?

22. Is het hoofdstuk De eenzaamste twintig minuten uit de geschiedenis van de mensheid niet de belangrijkste kandidaat tot onvergetelijkheid en een instant-klassiek karakter: een evenwichtsoefening tussen tranerigheid over een nooit geboren kind en klinische zakelijkheid in het beschrijven van een onbegrijpelijk gruwelijke slachtpartij?

23. Of zullen de echte kenners verwijzen naar het moment waarop Remo en Maddox elkaar voor het eerst herkennen, en de eerste de verbanden van rond het gezicht van de tweede probeert te trekken?

24. Of ligt de kern van dit eerste echte ‘geleende’ verhaal van Van der Heijden in een meer metafictioneel gebied – zoals op het moment dat de Griek en Remo elkaar nog eens ontmoeten op het vliegtuig, maar dan zonder dat de eerste dit ‘toeval’ in scène heeft kunnen zetten – en dus ook onderhevig blijkt aan de ongrijpbaarheid van de wereld?

25. Is dat de grootste – en intrinsiek literaire en tekstuele – verdienste van Het schervengericht: dat een dimensie die slechts doorschemerde in het flonkerend en mythomaan realisme van De Tandeloze Tijd (door, bijvoorbeeld, de aanwezigheid van Patrizio Canaponi alias Patrick Gossaert), hier tot volle wasdom is gekomen?

26. Vormt de website die ter ondersteuning van de roman werd gelanceerd (www.hetschervengericht.nl), met webcams op de zogenaamde gevangenisruimtes waarin Maddox en Remo in de roman rondlopen, niet net daarom een grote bedreiging voor het effect van de lectuur – of gaat het net om een zoveelste ontdubbeling – en dus ondersteuning?

27. Is het niet ironisch dat een roman(reeks) die gaat over de onmogelijkheid van tragedies (en dus verhalen – en dus literatuur) in een moderne wereld, hulp moet zoeken bij een medium als het Internet?

28. Men heeft het in de ‘literaire kritiek’ voortdurend over de ‘uitdijende werkelijkheid’ van Van der Heijden, vergezeld met foto’s van de corpulente auteur, en interviews openen steeds met vragen over zijn huidige lichaamsgewicht, maar wat heeft diens zwaarlijvigheid van doen met de omvang van zijn boeken?

29. Het schrijven van een dergelijk lijvige roman is een ongeëvenaarde prestatie – dat zal niemand betwisten, maar is de investering in een (literair) cultuurproduct recht evenredig met de waarde of de kwaliteit ervan?

30. Zou Het schervengericht waardeloos zijn mocht Van der Heijden er niet zeven jaar, maar – technisch gezien is het mogelijk – zeven weken aan gewerkt hebben?

31. Is dit een soort van negatief van het hongerkunstenaarschap dat Kafka jaren geleden voorstond – of een kapitalistisch-consumentische variant ervan?

32. Ook de thematische grondstof van Het schervengericht steunt op ontberingen: Remo moet de gangen van de gevangenis poetsen samen met de moordenaar van zijn vrouw en zijn vrienden – meer miserie kan men zijn personages niet aandoen; is het daarom niet onwaarschijnlijk dat er in deze roman zoveel gepraat wordt?

33. De verteller van Het schervengericht is ‘nietswetend’, althans wat de drijfveren en de achtergronden betreft, en precies daarom zet hij het verhaal in gang, en de twee elkaar hatende hoofdpersonages bij elkaar: alles wat er wordt ‘vrijgegeven’ aan verhaalstof moet daarom onthuld worden door die personages – het moet gezegd – is het daarom dat het zinnetje ‘help me op weg’ meer dan eens van de een naar de ander vliegt?

34. Help me op weg – vat het niet het belangrijkste deficit van deze roman samen: dat al het vertellen ook in de fictionele wereld als ‘vertellen’ moet geschieden?

35. De roman bestaat daardoor voor het overgrote deel uit dialogen, en anders wel uit in de indirecte rede weergegeven verslagen – maar hoe komt het dat al die personages, zowel Maddox, Remo, de Griekse verteller als de nevenpersonages (bewakers, advocaten, secretaresses, fotomodellen, stewardessen), zo ergelijk welbespraakt zijn?

36. Hoe is het te verklaren – te interpreteren – dat zes verschillende, niet met elkaar verbonden personages, te pas en te onpas het woord ‘kontkrummel’ bezigen om de kleine Remo te beledigen – een woord dat niet in Van Dale staat en dat nauwelijks 174 hits op Google oplevert?

37. Is het kenmerk van grote auteurs (Dante, Shakespeare, Proust) dan niet dat zij een eigen courante woordenschat ontwikkelen – kan niet elk groots oeuvre vergezeld gaan van een karakteristieke verklarende woordenlijst?

38. Wat is de precieze aard van de dialogen van Van der Heijden, die in deze laatste roman op de spits gedreven worden, maar altijd al een bepalend kenmerk van zijn literatuur geweest zijn – van de cafétooggesprekken tussen Albert Egberts en Thjum Schwantje in De Tandeloze Tijd tot het geruzie over de erfenis van Movo in de vorig jaar verschenen novelle Drijfzand koloniseren?

39. Het schervengericht is opgebouwd uit korte hoofdstukjes – in lengte variërend tussen één zin en tien bladzijden – vaak gaat het om fragmenten uit een gesprek, dat steevast op een ‘verbale cliffhanger’ eindigt, als een staaltje van cynisch-sarcastische poëzie: waar komt dat vandaan, en wat moeten wij er mee aan?

40. De ‘Heijdense’ dialogen werken niet als Barthesiaanse ‘vulsels’ die verwijzen naar een werkelijkheid die er niet is – daarvoor zijn ze te gekunsteld, te intelligent, te passend, te prachtig – zo spreekt iemand die voor de moordenaar van zijn vrouw en ongeboren kind staat, niet – maar wat zijn ze dan wel?

41. Moeten we een nieuw paradigma lanceren om over zijn werk te kunnen spreken – iets als het ‘schittereffect’?

42. Toepasbaar op romans waarin mussen niet van het dak vallen omdat het een reden heeft, waarin mussen niet van het dak vallen omdat ze dat in de werkelijkheid ook doen, waarin mussen niet van het dak vallen omdat Willem Frederik Hermans daar ooit over geschreven heeft – maar waarin mussen van het dak vallen omdat ze dat op een onvergeetlijke, prachtige, poëtische, ondoorgrondelijke, ervaringsgerichte manier doen?

43. Is Van der Heijden wat dat betreft dan niet gewoon een – excuus – vraatzuchtig, Hollands en licht scabreus neefje van Nabokov?

44. Maar vallen mussen in dit geval niet gewoon van het dak tot meerdere eer en glorie van het stilitische talent van de auteur?

45. Wie heeft er ooit al eens op een dergelijke manier een mus van het dak zien vallen – of heeft er althans zo over gelezen?

46. Als het hem te doen is om het ‘opschonen’ van de werkelijkheid tot er iets onvergetelijks ontstaat – een betere, ‘leefbare’, transporteerbare versie van de gruwel – dan is de vraag: hoewel herkenbaarheid mag literatuur opgeven ten voordele van autonome stilistische kracht?

47. Wat is het belangrijkste: een celbewoner die spreekt zoals wij denken dat hij zou spreken; of die spreekt zoals wij dat in onze mooiste dictiedromen niet eens zouden kunnen?

48. Willen wij dat onze leesmond openvalt van bewondering of op elkaar geklemd meedoet aan het ja-geknik?

49. Of willen wij precies die vraag vermijden – willen wij, zoals ergens in deel 3 van De Tandeloze Tijd door een vrouw vergoelijkend gezegd wordt tijdens een zaterdagmiddag in de jaren zeventig, alleen maar opgevuld worden?

50. Het is mogelijk om op zeer veel manieren overdonderd te raken door Het schervengericht – is het even eenvoudig om op te sommen op hoeveel manieren deze literaire pletswals, deze stilistische tsunami, in de tekst zelf wordt vermeld of ‘verzinnebeeld’?

51. De flinke auteur heeft meer dan één alter ego van zichzelf in zijn tekst verwerkt: er is de Griekse god die zijn naam verkocht heeft en op zoek is naar een nieuwe wereldbrand door middel van ‘spannende’ gebeurtenissen, rampen en ongeluk; er is de van oorsprong Poolse regisseur die alle tegenslag als een aansporing ziet om met zijn prachtig werk (een ‘nieuwe wereld van licht’) de goden te tarten; er is de krankzinnige misdadiger die een oorlog wil ontketenen die zowel het een als het ander kan betekenen – zowel verlies als winst – wie van de drie lijkt het meest op A.F.Th.?

52. Hoeveel leesplezier is er nodig vooraleer – ook door de tekst gerepresenteerde – megalomanie vergeven kan worden?

53. De propagandistische opzet van literatuur – van de tekst en de verteller die proberen overtuigen – is vaak in romans ‘verwerkt’ – nergens beter dan in Lolita of Pale Fire van Nabokov – maar waarom is het dat het, in het geval van Van der Heijden, altijd lijkt alsof het (rechtstreeks) zijn eigen megalomane machinaties zijn die op het spel komen te staan?

54. Het kan wel zo zijn dat Remo (Roman) ons van zijn onschuld probeert te overtuigen (‘Ik heb dat dertienjarig meisje niet verkracht, en zit dus onterecht in de gevangenis’), maar is de ware tekstuele ‘boodschap’ van Het schervengericht (en van de Homo Duplex-cyclus in het bijzonder) niet dat het gerechtvaardigd of nodig is om dergelijke romans te schrijven – of, wat hetzelfde is, dergelijke gebeurtenissen, rampen en ontmoetingen, tot stand te brengen?

55. Wat doen al die vragen ertoe, als het inderdaad zo is dat Het schervengericht 1050 bladzijden lang kan boeien – door een ingenieuze constructie, een eigengereide (negatief gestelde: aanmatigende) stijl, een mysterieus overkoepelend plan, een onophoudelijk metafictief spel dat nooit bloedeloos wordt, een intertekstueel web van verwijzingen en een vaag maar ironisch vermoeden van maatschappelijke relevantie?

56. Of is net dat het kenmerk van goede literatuur: dat de vragen blijven komen zonder dat het stoort?

57. Wat moet de Nederlandstalige literatuur aan met deze roman?

58. Hoe moet het verder – de rest van de Homo Duplex-cyclus niet meegerekend?

59. Kunnen recensenten, critici, auteurs, boekhandelaars, uitgevers, verramsjers, publiciteitsmensen, marketinglui, journalisten, literatuurwetenschappers en auteurs – vooral auteurs – iets anders doen dan deze roman – en het werk van Van der Heijden in het geheel – (deels) links laten liggen?

60. Geldt dat niet per definitie voor elke betekenisvolle culturele prestatie?

61. Of zijn er daarentegen in de wijdlopigheid van deze roman niet precies omwille van die grote zwaai talloze mogelijkheden over het hoofd gezien – en net daarom aan het licht gebracht?

62. Is dat het sofisme van het literaire werk: hoe meer wereld er in opgenomen wordt, des te groter wordt de werkelijke wereld gerepresenteerd, en des te meer faalt het werk omdat er dus minder wereld dan gedacht in is opgenomen?

63. Heeft dat als implicatie dat een van de langste romans uit de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur veel te kort bevonden moet worden?

64. Of is het besluit dan toch dat de wereld weer voor een stukje is gemaakt?

65. Moet die vraag in het kader van de nieuwe cyclus, die in tegenstelling tot De Tandeloze Tijd veel meer recycleert, niet gecorrigeerd worden?

66. Want is Het schervengericht niet zozeer een schepping als wel een herstelling van een deel van de wereld?




Het schervengericht
A.F.Th.
Querido Amsterdam, 2007
1051 blz.
ISBN 978 90 214 5022 4
www.afth.nl
www.hetschervengericht.nl
Reageer
Voornaam
Naam
Email
Reactie