.jpg)
Wat gebeurt er als persoonlijke driften de overhand krijgen, als we simpelweg mogen zeggen en denken wat we willen; worden we dan monsters? Dat vraagt Gambier zich af. En ook: verlies je de controle over jezelf als je uit het maatschappelijke systeem wordt gezet? Om die vragen te doorgronden verdiepte ze zich in wat ze noemt ‘de voorwaarden van het menselijk gedrag’. Ze bekeek films als The Idiots en The Experiment, documenten waarin de heersende sociale omgangsregels worden losgelaten of op z’n minst worden veranderd - wat telkens behoorlijk uit de hand loopt.
Wat er met ons gebeurt als we het contact met elkaar kwijt zijn en waar dat toe kan leiden, dat laat Gambier zien in Act of Living – catalogue of failure. De voorstelling blijkt met name dat laatste: een catalogus van mislukking. De toeschouwer ziet een reeks op zichzelf staande minivertellingen, waartussen de scheidslijn is aangebracht door verschillende (pop)muziekfragmenten en waarin drie dansers die zonder een woord te spreken met elkaar in verbinding staan – en tegelijkertijd helemaal niet met elkaar verbonden zijn.
Twee mannen en een vrouw staan licht wijdbeens naast elkaar, in wit gekleed met zwarte schoenen. De armen hangen slap langs het lijf. Als de muziek klinkt komen los van hun plaats, lopen aarzelend in het rond, schuchter en vragend de ruimte verkennend. Ze dralen om elkaar heen maar lijken elkaar niet op te merken. Hun bewegingen zijn onafhankelijk van elkaar, tot een van hen een stuk met een van de anderen oploopt. Een tijdje volgen ze dezelfde loopcirkel, maar behalve de synchrone beweging is er geen interactie tussen de twee. Toch volgen de drie elkaar onophoudelijk, haast ongemerkt houden ze elkaar in de gaten, stemmen hun bewegingen soms wel en soms niet op elkaar af. Ze doen dat bewust, maar weten ze nu wel of niet of ze moeten kiezen voor zichzelf of elkaar?
Een nieuwe poging volgt: sjouwend met drie kussens betreden ze het podium, pakken elkaar bij de hand en beginnen erop te springen. Op de achtergrond klinkt ‘happy days’. Het beeld van drie zorgeloze kindertjes die springen tot ze erbij neervallen dringt zich aan je op, tot het drietal zich verandert in wat je als een goed geoliede masturbatiemachine zou kunnen zien. Hun op en neer gaande bewegingen zijn machinaal en ruw en herhalen zich eindeloos– tot ze ook hier erbij neervallen.
Elke keer opnieuw blijkt het tot stand brengen van contact onmogelijk. Een van de grimmigste scènes is wellicht die waarin een van de mannen een plastic zak over zijn hoofd trekt en deze vastzet met een stuk zwarte tape. De andere twee verschijnen met een clownmasker op, hun grimassen en bijpassende dansbewegingen en opgeilende standjes vormen een gapende kloof met de steeds verder in ademnood verkerende derde.
Al met al niet bepaald een vrolijke aanblik: de wereld wordt er op z’n minst een stuk minder aantrekkelijk van als de onderlinge communicatie stokt. Kennelijk rest er maar een uitweg als je er niet in slaagt om te communiceren of contact te maken en dat is eenzaamheid. Om als mens te functioneren is blijkbaar het maatschappelijke systeem van Gambier nodig, zodat een mens zich thuis kan voelen, bestaansrecht heeft en sociaal kan zijn. Zonder dat houvast wordt zelfs een picknick, die alles in zich heeft voor een perfecte middag: van fluitende vogels, groen gras, een goed gevulde picknickmand en zelfs zonnebrand, een pijnlijk tafereel van laconieke wezens die niet meer in staat zijn te genieten met of van anderen, zo volledig zijn ze teruggetrokken in hun eigen wereldje.
Door Nicole Willemse. Gezien op 26 januari 2007, Theater Frascati Amsterdam. In het kader van Something Raw
CREDITS
concept: Nada Gambier
van en met: Nada Gambier, Ugo Dehaes en Kwint Manshoven
licht: Peter De Goy
coproductie: wp Zimmer







