Wat volgt is een bespreking van alle kortfilms die ik zag, gegroepeerd per programma-onderdeel en in de volgorde van vertoning.
SELECTIE 1
(Deze 1ste van vijf selecties in het Internationaal Kortfilcompetitie programma wordt besproken door Sam Steverlynck, in zijn artikel MET DANK AAN DE KLASSIEKERS VAN DE SCHILDERKUNST)
SELECTIE 2
De Tweede selectie ging van start met “Imagination about the dead man with Beethoven music” van Litvinova Maria (RUS), een nogal expressionistische film over een kaal wit landschap waarin een begrafenisstoet voortschrijdt. Het stormt er echter zo hevig dat eerst de kist en later de hele stoet de hemel ingezogen wordt. De sobere animatie die bijna tot stilstand komt bij de forse tegenwind en uiteindelijk op de tonen van Beethovens symfonie mee de lucht in zwiert, werkt erg functioneel en ook de koele afstandelijkheid van het zijwaartse aanzicht is een juiste keuze.
The wall – To mother van Shengzhang Lu (CHI) duurde meer dan dubbel zo lang, maar bevatte minder ideeën. Zoals de titel al doet raden draait het hier om een muur en een moeder, maar veel wijzer werden we niet. Er werd naarstig gekleurd, veel van perspectief veranderd, er was muziek en een vogel, een vlieger en een knikker, maar wat er verteld werd, was niet duidelijk.
Het Motorola “Grand classics” –filmpje van Smith & Foulkes (GB) was een korte maar leuke hulde aan de cinemaklassiekers. Het konijn dat doorheen de verschillende bekende decors stapte was vlot genoeg getekend en geanimeerd om te verkopen, maar als reclamefilmpje stond het wat verloren tussen de kortfilms.
Codehunters van Ben Hibon (GB) werd gemaakt in opdracht van MTV-Asia, eerst gewoon als kortfilm, maar uiteindelijk ook als branding show voor de MTV Asian Music Awards. Het is een verbluffend stukje retro-futurisme dat handig manouvreert tussen allerlei invloeden gaande van Jamie Hewlett’s Tank Girl (de bedenker van Gorillaz), tot de tekeningen van Moebius of Bilal. Er is hard gewerkt om de 3D-animatie dezelfde dynamiek en warmte te geven als 2D pentekeningen en ook de decors hebben een warme gloed en grafische textuur. Hoewel onmiskenbaar een product van Aziatische en Westerse invloeden, heeft het eindresultaat toch iets cultureel ongedefinieerds. Geruïneerde stadslandschappen, verlaten western-woestijnen en onbestemde kale ruimtes bespelen allemaal het register van het unheimliche. Mogen we dit catalogeren onder cyberpunk?
Conte de Quartier, Florence Mihaille(FR) maakte gebruik van dekkende verflagen die elkaar uitsmeerden, een interessante techniek die echter te vermoeiend bleek om 15 minuten lang te volgen. Ook de herkenbaarheid van de personages was niet altijd voldoende en het verhaal - een voddenpop die telkens van eigenaar veranderde, wat symbool stond voor de ziel van een (Franse) stadsbuurt in volle transformatie - leed wat onder de gekozen stijl.
Bill Plympton (USA) stelt zelden teleur en met Guide Dog toont hij eens te meer groot meesterschap. Zijn tekenstijl ademt het soort nonchalance dat enkel de allergrootsten onderscheidt. Elk afzonderlijk frame zit al vol beweging, achter elkaar gebruikt, spatten de personages letterlijk van het scherm. Deze virtuoze animatiestijl past perfect bij zijn explosieve en groteske humor en ook in dat opzicht voldeed het verhaal over een would-be geleide hond ruimschoots aan de verwachtingen.
Tyger, van Guilherme Marcondes (BRA) was een mengelmoes van verschillende technieken, waaronder poppenspel met volledig in het zwart geklede poppenmeesters -een techniek die je nogal eens ziet in hilarische Japanse showprogramma’s. Omwille van hun egale donkere pak verdwijnen ze visueel in de achtergrond – op voorwaarde dat die ook donker is natuurlijk. En dit was hier niet het geval, waardoor de drie mannen die een reuzetijger door een stad lieten stappen, visueel nogal stoorden. Ook de plantengroei in lichtgevende draden die de tijger achterliet was weinig origineel – een populaire software plug-in. Des te groter mijn verwondering dus dat uitgerekend deze film – een eerder leeg vormexperiment – de Grote Juryprijs wegkaapte voor de beste kortfilm.
Levijatan, Simon Bogovejic Narath (HR) neemt Thomas Hobbes’ politiek-filosofische traktaat Leviathan uit 1651 als vertrekpunt voor visuele reflectie. Een raadselachtige keuze, en dat is dan ook meteen het overheersende gevoel bij het bekijken van de hele film. Het hermetische karakter zou op zich geen struikelblok zijn mocht de animatie de moeite lonen. Maar de grote hoeveelheid aan wriemelende blote mannetjes en vrouwtjes op het scherm kan de lelijke en stroeve 3D-animatie niet verhullen.
Marek Skrobecki (PL), is een poppenspeler die zowel bij Jim Henson als bij Aardman heeft gewerkt. Desondanks heeft hij een eigen stijl ontwikkeld met meters hoge poppen, wat een erg gedetailleerde belichting mogelijk maakt. De film Ichthys (letterlijk “vis”, maar ook een symbool voor christendom) is een goed voorbeeld tot welke subtiele sfeerwerking zijn technieken in staat zijn. Nadat een man een vis heeft besteld in een bevreemdend gotisch restaurant krijgt de film een existentiële dimensie en wordt geduld en geloof van het personage op de proef gesteld.
Ujbaz Ibeneki Has Lost His Soul door Neil Jack (GB) opende sterk met een generiek die mooier is dan de eigenlijke film. Het verhaaltje over een man die alles kwijtspeelt, inclusief zijn ziel, biedt wel komische perspectieven maar de “claymation” staat hier nog niet genoeg op punt om zich te kunnen meten met enkele andere stopmotion filmpjes in de selectie.
Shhh… van Fumio Obata (GB) getuigt van een zeer knap grafisch talent. De personages zijn met veel karakter getekend en bewegen zeer overtuigend. Buiten de naam, verraden nog enkele andere elementen de Japanse origine van de filmmaker: de personages zijn westers en hebben bijgevolg allemaal gigantische neuzen en opvallend amandelvormige ogen.
En toch bleef de mooie stijl wat onderbenut door het wat simpele verhaaltje dat ermee verteld werd.
Careful van Damian Gascoine (GB) was meer een ideeënschets dan een echt afgewerkte film. Ook de tekenstijl was losjes bijeengekribbeld en contrasteerde nogal met de andere gedetailleerdere films. Het snoopy-achtige meisje dat er alleen op uittrekt terwijl haar moeder enkel kan toekijken, was wel een koddig figuurtje, maar het geheel leek toch iets teveel op een snel gemaakt storyboard.
Ook Who I am and What I Want van Chris Shepherd en David Shringley (GB) had ook een snelle, kribbelige stijl, maar hier zat het tempo van de film zo hoog dat de eenvoudige tekeningen de film eigenlijk ten goede kwamen. We zagen de antiheld van het filmpje in een reeks absurde en grappige situaties, die in combinatie met de snelle monoloog een zeer ritmisch en sterk proza opleverden.
The Safe House van Lee Whitmore (AUS) bouwde dan weer zeer langzaam een verhaal op over het ontgroeien van de kindertijd. Zoals meestal kleurden vooral de onbelangrijke en zintuiglijke details de herinneringen aan het Australische suburbia van de jaren ’50. Als er bij de buren plots een Russische contraspion zit ondergedoken, gebeurt er eindelijk iets in het leven van een jonge meisje en beginnen de kinderen op hun beurt de spionnen te bespieden.
Whitmore kon de waargebeurde zogenaamde “Petrov”-affaire in haar jeugd dus van vlakbij volgen en het is haar gelukt om dit te verwerken in een film die toont hoe ze als klein meisje in het ouderlijke huis plots een besef kreeg van de complexiteit van de wereld. De animatie is geschilderd en vooral het rijke kleurenpallet valt op; van felle en contrastrijke zomerse scenes tot nachtelijke zachtblauwe tonen. Het enige waar dit wordingsverhaal onder leidt is het trage tempo en de lange aanloop naar het verhaal.
In Aldrig som första gangen ! (Never like the first time), laat Jonas Odell (S) vier Zweden herinneringen ophalen aan hun ontmaagding. Elk van de opgenomen verhalen werd ondersteund door een andere animatiestijl die perfect aansluit bij de overheersende emotie van de vertelstem: trots en revanche bij de jongen die niet meer hoeft onder te doen voor z’n snoevende vriend; een meisje dat teleurgesteld is na een lange beloftevolle aanloop; een pijnlijke herinnering van een meisje na een dronken avond die volledig uit de hand loopt; een oude man die terugblikt naar de dag waarop zijn wereld er een stuk mooier op werd.
De animatie werkte hier eerder illustratief bij de op zich al levendige stemmen, maar de hoge grafische kwaliteit maakte van deze film toch geen onverdiende winnaar van de publieksprijs.
Het antropologische, observerende karakter van Guy de Maupassants verhalen leent zich erg goed om te vertalen naar pure ongesproken animatie.Alexey Demin (RUS) levert met Boitel een zeer elegant getekend verhaal af dat op een lichtvoetige toon vertelt hoe en waarom een Franse soldaat verliefd wordt op een zwarte vrouw.
Ook L’homme qui attendait was een literaire adaptie, ditmaal van Kafka’s parabel uit « Der Process ». Theodore Ushevs (CDN) lithografische stijl met voice-over stem, en gemonteerd op het tempo van Arvo Pärts wispelturige muziek, is niet bepaald een originele manier om Kafka te illustreren, maar het wordt hier wel erg goed gedaan.
Theodore Ushevs tweede geselecteerde film was Tower Bawher, een gestileerde dans van lijnen, vlakken en kleuren op de dynamische muziek Time, Forward van Georgy Sviridov. De van oorsprong Bulgaarse filmmaker tekende zich een weg uit een zware depressie met deze abstracte compositie over opbouw en verval die zich volledig wentelt in de vormentaal van de constructivisten/suprematisten à la Tatlin, Malevich, etc. Het resultaat is een indrukwekkende stijloefening.
Priznavie v Lubvi (Declaration of Love), Dmitri Geller (RUS). hanteert een grafische stijl die doet denken aan het tempera van icoonschilderijen en toont hoe een jongetje zijn lanterna magica overal mee naartoe sleurt als symbool voor cinefilie in het algemeen en Buñuel in het bijzonder.
The legend of Shagri-La van Chen Ming (CHI) toont een geheel originele mix van Chinese traditie en computer graphics. Twee dimensionele Chinese schaduwpoppetjes bewegen in een Chinese landschapstekening die zich langzaam afwikkelt en waar de 3D voorgrond ongemerkt overvloeit in de gewassen geschilderde achtergrond. Het verhaal is een bewerking van de eeuwenoude parabel uit de Jin-dynastie over een geïsoleerd stukje paradijs vol perzikenbloesems waar men - geheel in de logica van de Taoïsten - enkel via toeval geraakt.
Shaun The Sheep “Bathtime”, van Richard Goleszowski en Rob Dudley (GB) is één aflevering van wat Aardmans nieuwe 40-delige animatiereeks zal worden over het schaapje dat we al kennen uit de Wallice and Grommit-films. Of deze voormalige side-kick het 40 afleveringen alleen zal kunnen redden is nog afwachten, maar deze ene aflevering liet zich alvast smaken. Het toonde nog maar eens dat Aardman zich beter thuisvoelt in korte filmpjes waar ze volop de leuke vondsten op elkaar kunnen stapelen. In de langspelers wil het tempo van het verhaal wel eens lijden onder al het vernuft.
Als een soort van meesterproef montage, speelde Mauvais temps van Jean-Loup Féliciolo en Alain Gagnol (F) zich bijna volledig af in een trappenhal. Er werd dus volop à la Brian de Palma gespeeld met perspectieven, standpunten en bewegende camera’s, met een zwart-wit stijl die de composities en standpunten extra benadrukte. Dit maakte het verhaal van een man die belaagd wordt door een bende boeven met messen geslaagd qua suspense, maar het geheel had een beter plot nodig.
Printed Rainbow, van Gitanjali Rao (IND), moest het evenmin hebben van een verhaal – oud eenzaam vrouwtje ontvlucht de grijze regenachtige uitzicht van haar raam door weg te dromen bij een ander, fictief uitzicht: afbeeldingen van exotische kleurrijke bestemmingen op luciferdoosjes. Hier zijn de kleurrijke droombeelden echter zo knap geschilderd dat ze elke drang naar narratieve logica weten te compenseren. Heilzame fantasie, verpakt in kleine porties lichtgevende hoop.
Joel Simon, een Belg die in Ierland een animatiestudio oprichtte, maakte met Horn Ok Please dan weer een stopmotion film met beide voeten in de realiteit: een taxichauffeur in Mumbai werkt zich letterlijk te pletter om genoeg roeppi’s te verdienen voor de auto van zijn dromen. Zijn vele kleurrijke passagiers, waaronder ook de occasionele vette toerist, zijn allemaal erg komisch geboetseerd en de animatie overtreft bij momenten het werk van Aardman. De film kreeg dan ook terecht een speciale vermelding van de Jury.
L’Homme de la lune van Serge Elissalde (F) - met « U » ook in de officiële selectie van langspeelfilms - tracht een bohémien toon aan te slaan met een verhaal over een holle maan met kaasetende bewoners die op aarde hun voorraad komen inslaan. Het algehele gevoel bij de film was echter te geforceerd en vergezocht, wat eigenlijk ook gold voor de groteske tekenstijl die soms gewoon te onduidelijk was geanimeerd.
Het vijfde programma betrof enkel studentenwerk en schonk ons zowel het slechtste als het beste van het volledige programma.
Een aantal filmpjes hoorden niet echt thuis op dit festival, omdat ze bijvoorbeeld leden onder een gebrek aan originaliteit, zoals Lucifer van Jenny van den Broeke (NL) dat op de zenuwen werkte met een een tot leven gekomen kribbel van een hond. Zo was er ook de tot leven gekomen kribbel Psycho Boy, door Clément Cornu (F). Of Olivia Faliph (F) die met Chemins de neige naar een maximaal rendement streefde van haar potloodfiguren door het verhaal in een sneeuwlandschap te situeren – een klassieker onder studentenfilms - wat enkele mooie tekeningen opleverde maar geen animatiefilm. Andere filmpjes waren ronduit amateuristisch, zoals Contacts, door Adriana Rodriguez Proano (F), een niemendalletje met wat gezichtsuitdrukkingen gemapped op een boel drijvende eieren.Of Pila van Milena Klebanov, met een kinderachtig verhaaltje over een ezel die een olifant over zijn uiterlijke complexen helpt.
Het was ook duidelijk dat 3D-animatie aan populariteit toeneemt onder studenten, hoewel de motivatie hierachter soms twijfelachtig is. Zo lijkt dit soms een gebrek aan andere expressiemiddelen te camoufleren. De graad van detaillering ligt ook onmiddellijk zó hoog dat het gebrek aan stijl of sfeer er des te zichtbaarder op wordt. Ook slecht geanimeerde figuurtjes vallen harder op.
Once Upon A Time van Corentin Laplatte, Jerôme Dernoncourt en Samuel Deroubaix (F), was een mislukte poging om 3D figuurtjes en oude zwartwitfilm te combineren; Hallucii van Goo-shun Wang (USA) met een dronken 3D-mannetje die in een ESCHER trap vastzit, was slechts heel even leuk; Caila van Christophe Brejon, Bertrand Desrmont en Thomas Pouwels (F), waar een Parijs Metrostel in de dromen van de zigeunermuzikant even weer een huifkar op het platteland wordt, was wat stroef; ook bij Cookie van Remco Moll (NL), waarin een grappige hond op zoek was naar de gunst en vooral de koekjes van zijn baasje, was de animatie niet vlot genoeg om een komische timing te verzekeren.
Dat het ook anders kan, bewees Vague à l’âme, van Timothée Leboeuf, Noro Rakotomalala en Jocelyn Zeller (F), waarin een man in gedachten terug naar de tijd van prille liefde fietst. Of En Tus Brazos, door François-Xavier Goby, Edouard Jouret en Matthieu Landour (F) met een voormalige tangokampioen die ook wegmijmert naar mooiere tijden. Beide filmpjes roepen ondanks de 3D techniek een gevoelige melancholische sfeer op en slagen erin een ziel te leggen in de personages, ook al moeten ze het zonder veel verhaal stellen. Niebla van Emilio Ramos had naast een juiste 3D-sfeer ook nog eens een origineel uitgangspunt: een oude man vertelt hoe de mist in een oud dorpje eigenlijk vliegende schaapjes waren en hoe de dorpelingen truien maakten van hun wol om zelf ook te kunnen zweven.
Mind the gap van Anastasia Zhuravleva (RUS) bewees dat het gebrek aan middelen ook soms creativiteit kan stimuleren. Een etmaal in het Moskovitische metronet met alleen wat kledijknopen - zien is geloven. Etienne Boguet’s (F) reflectie over animatie in Utopique maakte dan weer spaarzaam gebruik van enkel een lijnenspel waarbij de minste verandering al een beweging suggereerde.
Andere studentenfilms die bijbleven waren Bob, door Jean-Pierre Poirel (F), een soort Modern Times op speed, Mordicus van Loïs de Cornulier (F), waarin een cartooneske grafkistontwerper plots werkloos wordt omdat doodgaan strafbaar wordt en Warped van Chok Wah Man, dat vanuit POV toont hoe animatie langzamerhand greep krijgt op de reële werkelijkheid rondom de animator. Ook A feu van Vladimir Mavounia-Kouka (F), naar een verhaal van Boris Vian, was een film die bleef nazinderen. Deze adaptie van Boris Vians Le Loup-garou maakt gebruik van een techniek van puntige papierknipsels die goed past bij alle harige wolvenvachten, scherpe tanden en klauwen, bloedspatten, autowrakstukken en vuurvlammen. De wolf die de wrakstukken offert aan een Mariabeeld in een grot, doodt later als weerwolf een prostitué en verliest zo uiteindelijk de levenskracht die het mariabeed hem schonk.
Twee films sprongen er zonder meer uit en waren wat mij betreft de hoogtepunten van de 4 selecties tesamen.
Moment by moment, van Lei Xue (D) was een meesterlijk geschilderde film die de confrontatie van twee culturen omzette in prachtige vlekkenpatronen die nu eens abstract waren, dan weer figuratief, waar men soms traditionelere Chinese landschapsbeelden in las, en wat later een nachtelijk stadslandschap van voorbijflitsende autolichten. Dit alles werd strak gemonteerd op muziek die tussen Oost en West pendelde. Het stroboscopische effect van de oplichtende patronen brandde diep in op je netvlies en viel maar moeilijk terug uit te wissen.
Adjustment is een parallel tussen de wetten van de animatie en van de gebroken liefde. Dit levert een ontroerend en erg persoonlijk verhaal op, dat tegelijkertijd een universeel karakter heeft – ook volgens de jury die het tot beste studentenfilm uitriep. Ian Mackinnon (GB) begint het in real action gefilmde relaas met een wetenschappelijke vaststelling: als een gegeven situatie een sequentie van minimale veranderingen ondergaat, dan zal er na verloop van tijd significante verandering optreden – het principe dat hij toepast in de vele flipbooks die we hem zien tekenen. Evengoed verklaart hij hiermee meteen voor zichzelf waarom hij de naderende breuk met zijn vriendin Alice niet zag aankomen. Om het verlies te verwerken ontvlucht hij de realiteit door scenes onmiddelijk in animatie uit te tekenen. Eens zijn vriendin voorgoed vertrokken is, lijkt ze nog overal verder te leven - in zijn geest, in zijn appartement, op reclameposters. De film sluit dan ook af met wat het grondprincipe van animatie is, en daarnaast ook perfect de gevoelswereld van de auteur verwoordt: “The persistence of vision is when you continue to see something a significant period after it is allready gone.”
Een lijn trekken doorheen de vijf programma’s is onmogelijk, maar toch bleven een aantal trends hangen.
Animatie kwam hier in drie zeer verschillende vormen naar voren - als illustratie bij gesproken of geschreven woord, als autonoom narratief instrument en als abstracte compositie – maar bleef in elk van haar gedaantes overeind als ideeëndrager die naast de zintuigen toch ook de geest kan prikkelen.
Soms betekent animatie een pure vlucht weg van de realiteit, als troostende fantasie of escapisme.Bij anderen is het een reflectief medium om de realiteit te confronteren. In deze internationale selectie bedienden de meeste nationaliteiten zich van beide strategieën, maar de animatiefilm toonde vooral zijn vermogen om meerdere en gelaagde culturele invloeden te verwerken. De complexiteit van het medium leent zich uitstekend tot de hedendaagse condities van mondialisering, migratie, toerisme, culturele uitwisseling en kolonialisme. In tegenstelling tot cinema kunnen animatiefilms een veel organischer relatie aangaan met muziek, literatuur en beeldende kunsten en alle andere disciplines van een bepaald cultuurregister. Daarom ook is Anima zoveel meer dan enkel een festival over animatiefilm.







