
Zoölogische classificatie
De installatie behoort tot het zoölogisch classificatiesysteem dat in 2004 door Wesley Meuris werd ontwikkeld. Zijn ordening der dieren resulteerde in een reeks tekeningen, en daaruit zijn verschillende kooien tot stand gekomen. In de ateliers van het STUK laat de kunstenaar twee nachtkooien en een viertal aquaria zien, en dit is voorlopig ook de laatste realisatie binnen deze zoological classification. Opmerkelijk is de hoge esthetische factor die de kooien met zich meedragen. Ze zijn stuk voor stuk met grote precisie ontworpen voor een specifieke diersoort, en steeds werden de noden van elk dier en het kijkcomfort van de bezoeker in acht genomen. Verklarende tabellen en wereldkaarten slaan ons met wetenschappelijk aandoende informatie om de oren. The Incredible Nightlife in the Tropical Forest wordt ondersteund door een pseudowetenschappelijke tabel dat het ritme van het aan-en uitschakelen van de lichten in de kooien aantoont.
Zinloosheid van het wachten
Deze gloednieuwe habitats staan gereed voor de weldra arriverende dieren. Het enige wat je als bezoeker nog kan doen is erop wachten. Maar wanneer de ogen gewend zijn geraakt aan de duisternis, ontwaar je geen beweging in de kooien. Hoe graag je ook iets wilt zien, de kooien blijven leeg. Vooral bij de aquaria is deze leegte confronterend; hier kan niet ontkend worden dat er een groot gemis is aan vissen van allerlei soorten, kleuren en vormen. Buiten het water, het zand op de bodem, en het geluid van de zuurstofbelletjes aan het wateroppervlak is er niets. In de plaats van kleurrijk exotisme en spektakel krijg je een aquarium te zien waar de identiteit samen met de vissen spoorloos zijn verdwenen.
Het besef dat je als toeschouwer in een tentoonstellingsruimte staat en niet in de dierentuin, maakt van het wachten op potentiële bewoners een nodeloze activiteit. Het is als wachten op Godot; van het moment dat je beseft dat er geen dieren aan te pas komen, vraag je jezelf af wat je daar eigenlijk staat te doen. De zinloosheid van het wachten zorgt ervoor dat je als toeschouwer niet meer weet welke rol er van jou verwacht wordt te spelen. Je kan jezelf niet vastklampen aan een kooi die zich niet als een echte kooi weet te gedragen. Het gemis aan een vertrouwd beeld doet je wankelen.

Enkel de Homo Sapiens mag zich dus tot het levende dierenrijk rekenen in de atelierruimte van het STUK. Door de afwezigheid van de dieren, treden de installaties op de voorgrond. De kooien zijn wel leeg en onbewoond, maar inhoudsloos kan je ze niet noemen. Ze gaan weliswaar aan de functie voorbij waaraan wij verwachtten dat ze zouden voldoen, maar net daardoor krijgen ze een heel nieuwe waarde. Ondanks het handhaven van een rigide aandoend ordenings- en classificatiesysteem, wordt de verbeelding niet uitgesloten. Integendeel, je moet de ruimte zelf invullen en zo worden de kooien als het ware droomobjecten waar de dieren niet anders kunnen dan afwezig zijn[1]. Je valt als toeschouwer terug op jezelf en je eigen fantasie. De etalages die deze kooien zijn, tonen de kijker wat ze maar willen. Als bezoeker moet je dus zelf uitmaken wat je ziet: opteer je voor de realiteit, dan geraak je niet verder dan de omheining en zie je enkel jezelf in het onaangetaste glas weerspiegelen. Of kies je voor de verbeelding, waar je voorbij gaat aan de reflectie en de kooi zelf verder droomt?
Dierentuin versus museum
Of we nu de dierentuin of het museum bezoeken, het valt niet te ontkennen dat er parallellen tussen beide bestaan. Beide verzamelen, bewaren en stellen iets tentoon: de ene staat voor de musealisering van de natuur en toont exotische curiosa van de dierlijke wereld, de andere etaleert door mensen gecreëerde objecten. Tentoonstellen betekent voor beiden het annexeren van het wilde of het experimentele. Het verzamelde neemt duidelijk een onderwerpende positie in en wordt volledig in teken van de bezoeker gepositioneerd. Ze bevatten een erg bedachte omheiningsarchitectuur en bewakingstechnologie. Deze aspecten zorgen ervoor dat we als bezoeker in de te verwachten pas lopen binnen het museum of de dierentuin. Het kiezen voor een alternatieve route wordt ons niet in dank afgenomen. We mogen ook niets aanraken, enkel observeren is toegestaan. Allebei staan ze voor de observatiemaatschappij zoals we deze vandaag ervaren. De bewustwording van het bekeken worden heeft een invloed op je gedrag, en het is net dit aangepaste kijkgedrag dat ook Wesley Meuris intrigeert.
Zo is er de Duitse fotograaf Thomas Struth die ook in de ban is van het kijkgedrag van toeschouwers, wat duidelijk merkbaar is in zijn Museum Photographs [1987-2004]. Deze fotoreeks laat op de achtergrond wereldbekende kunstwerken in musea zien, terwijl op de voorgrond vele bezoekers zich in een diepe contemplatieve staat bevinden. Maar vaak fotografeert Struth enkel het publiek, en niet datgene waar men naar staat te kijken. Niet de kunstwerken zijn de essentie, maar het starende publiek wordt het onderwerp van de fotograaf en wordt tot curiosum herleidt.

Ook bij Wesley Meuris zijn de kooien niet de essentie, maar het publiek. Hij ontwricht de toestand tussen het object van waarneming en de toeschouwer. Het belang van het publiek wordt benadrukt; aan de ene kant wordt de kooi ontworpen in teken van de kijker, aan de andere kant is er het idee dat het object eigenlijk niets te tonen heeft. De voyeuristische blik die we maar al te graag hanteren, blijft bij het staren naar de kooien enkel een begeerte. De zucht naar spektakel, vertier en amusement wordt niet ingelost.
Het is zoals Herman Parret in De zoologische utopie van Wesley Meuris de vergelijking maakt met de machines van Panamarenko: zoals deze nooit zullen vliegen, zo ook zullen de kooien en aquaria van Wesley Meuris steeds zonder bewoners zitten. Maar dit wil niet zeggen dat ze daarom niet functioneren. Hun prominente aanwezigheid valt niet te ontkennen, evenals het verbeeldend vermogen dat ze vragen van hun toeschouwer. Ze dringen geen idee op, het is aan de kijker om er iets van te maken.
The Incredible Nightlife in the Tropical Forest lijkt op het eerste gezicht het te verwachten exotisme en spektakel niet in zich te hebben. Maar in feite zijn ze het witte canvas waar de kijker zich naar believen kan op uitleven. Je wordt letterlijk met de neus op het glas geduwd, je vraagt je af waar je naar aan het kijken bent en voelt je naarmate de leegheid tastbaarder wordt, onwennig worden. We komen voor een tweestrijd te staan: wachten we nog even, of lopen we gedesillusioneerd door? Aan u de keuze…







