Zorgen voor niets, want wat zich voor mijn ogen ontrolt, is glashelder. Een vertelling, in het West-Vlaams, met hier en daar een vertaling. Bij die vertelling hoort muziek, een scherm met woorden en beelden, licht en één decorstuk, een hoofdje, met een rood doek errond. Voor de rest is alles wit, te wit denk ik meteen, maar er moet nog vanalles gebeuren, dat is duidelijk.
Op scène zit een jongen, Aron (Karel Deruwe), de zoon van een slager. Hij is in de war, wou wat uitwaaien, heeft zijn hoofd tegen de steiger geslaan, is in zee gesukkeld, bijna verzwolgen en probeert zich nu in een proper hemdje op een moeilijk gedicht te concentreren. Het is te moeilijk en het kan hem eigenlijk niet schelen. Niet meer. Er is zoveel dat hem ontglipt, dat hem in het verleden steeds ontglipt is, zichzelf inbegrepen. Maar hij kan wel vertellen en dat doet hij graag. Dat mag in eenvoudige woorden, zolang het maar in geur en kleur is. En ruiken doen we het, de stank van de boerderij waar hij zijn eerste varken leerde slachten en de stank van mensen. Aron heeft een zusje (Inge Van de Kerkhove). Van in het begin is duidelijk dat haar borstjes nooit veel groter zijn geworden, dan de eerste keer dat hij ze aanraakte. Zijn zusje is er niet. Dat heeft iets te maken met hem, met slagersmessen en met dat ook zij veel te moeilijk voor hem is. Haar stem is er wel. Ze wandelt door zijn gedachten. Hij heeft er altijd van gehouden, maar soms wordt ze te aanwezig, dan moet hij kotsen. Ze laten elkaar niet met rust, hij haar niet en zij hem niet. ‘De mythe is het niets dat alles is’, verschijnt op het scherm. De tragedie is het niets dat alles is, denk ik. Het is allemaal bijna niets, zo eenvoudig, zo dagelijks, maar dat het voor Aron alles en teveel is, dat weten alleen hij en het varken dat hem net voor het sterft in de ogen kijkt. En misschien zijn zusje, die hem steeds net iets te volledig zag.
Het verhaal van Aron en zijn zus Sara – geïnspireerd op een gedicht uit Lorca’s Zigeunerromances – is ontstaan in een loods in Oostende. Je hoeft het niet te weten om het te voelen en te missen. De loods was groot en stoffig, hoor ik vertellen. De muziek klonk er dieper dan ze in het cultuurcentrum van Leuven doet, het beeldscherm was er niet vlak, maar had dieptes en in plaats van op scherm geprojecteerd vuur, brandden er achter op scène echte vuren. Spijtig dat cultuurcentra zo netjes en correct zijn. Spijtig dat ze zich niet eenvoudig kunnen transformeren in een stoffige loods wanneer daar nood aan is. Dat de ruimte en locatie van voorstellingen even grote spelers als acteur, muzikant of scherm kunnen zijn, is ondertussen bekend, maar wordt jammer genoeg soms onvoldoende erkend. Voorstellingen die op locatie of in de context van een specifiek festival gecreëerd geven moeilijkheden wanneer ze op tournee willen, maar dat is geen reden om de uitdaging niet aan te gaan. Echo van de maan draagt met een sterke tekststructuur, een schitterende Karel Deruwe die wat niet evident is toch evident kan maken, tot de verbeelding sprekende visuals en in haar bescheiden opstelling – waarom haar zo gescheiden houden van het spel? – toch sterke soundscape, voldoende elementen in zich om in de meest benarde ruimtes overeind te blijven. Het is aan de makers om zich, bij gebrek aan een stoffige loods, zelf te durven bevuilen. Er was zee in Leuven en dat deed goed. Maar net als het vuil op een boerderij niet tot de mesthoop beperkt blijft, mag ook in Echo van de maan het stof en bloed meer worden uitgesmeerd. Het is spijtig dat er geen vuren in theaters mogen branden, dat beeldschermen niet overal even gevarieerd kunnen hangen, maar laat dat een verhaal als dit vooral niet tegenhouden. Aron heeft iets te vertellen en ook zijn zusje – die door menig hoofd wandelt – heeft een stem die zich niet laat temmen. Laat de makers maar festivals zoeken, de boeren hun grootste schuur en de vissers hun loods openzetten. Want, inderdaad, mensen houden van verhalen en dit is er ééntje die je meeneemt.
Als de makers niet bang zijn van cultuurcentra, moeten deze dat niet van hen zijn. Zo eenvoudig als het is een schelp tegen je oor te zetten en dan de zee te horen, zo vanzelfsprekend wordt poëzie in Echo van de maan. Ze wordt je zachtjes ingelepeld, soms schertsend, soms opgewonden, veelal vloekend, maar steeds met groot begrip voor de eenvoud van de mens in een voor hem niet zo eenvoudige wereld. Wat je precies gegeten hebt weet je niet, maar dat het lekker was dat wel. En dat theater dat mag zijn, op z’n minst af en toe, gewoon heel erg lekker.
Regie: Geert Tavernier & Koen Ghesquière
Spel: Karel Deruwe
Zang: Inge Van de kerkhove
Zaterdag 17 februari - Kulturama Leuven - auditorium minnepoort






